Verkeersregels Nederland

Welke verkeersregels gelden er in Nederland? We zetten de belangrijkste algemene regels voor je op een rij.

Algemeen

  • Hier worden enkele belangrijke algemene verkeersregels vermeld plus een aantal regels die specifiek zijn voor Nederland.

Veilig rijden

  • In Nederland is het verboden om je zo te gedragen dat je andere verkeersdeelnemers in gevaar brengt of hindert (of dat zou kunnen doen).

Rijden onder invloed

  • Het is verboden een voertuig te besturen als je onder invloed verkeert van een stof waarvan je weet (of zou moeten weten) dat deze je rijvaardigheid zodanig kan verminderen dat je het voertuig niet meer goed kunt besturen. Dit betekent dat alle bestuurders, dus ook fietsers, strafbaar zijn als ze een voertuig besturen onder invloed van (te veel) alcohol, drugs of bepaalde medicijnen.
  • Meer informatie: anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersovertreding-nl/rijden-onder-invloed.
Alcohol
  • Voor fietsers en bestuurders die 5 jaar of langer in het bezit zijn van een rijbewijs, is het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed 0,5 promille (of 220 microgram per liter uitgeademde lucht bij een blaastest). Er geldt een lagere limiet van 0,2 promille (of 88 microgram per liter uitgeademde lucht) indien er sprake is van alcohol- in combinatie met drugsgebruik.
  • Voor beginnende bestuurders gelden strengere regels, voor hen is het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed 0,2 promille. Zie voor meer informatie anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/rijbewijs/beginnend-bestuurder.
Drugs
  • Het is verboden een voertuig te besturen onder invloed van harddrugs of softdrugs, zoals cocaïne, XTC en cannabis.
  • Met behulp van een speekseltest kan de aanwezigheid van drugs in het lichaam worden vastgesteld. 
  • Een politieagent kan drugsgebruik ook herkennen aan uiterlijke kenmerken. Een arts of verpleegkundige kan dan bloed afnemen van de bestuurder en dit bloedmonster laten testen.
  • Er gelden strenge wettelijke limieten voor drugsgebruik in het verkeer.
Medicijnen
  • Het is verboden een voertuig te besturen onder invloed van medicijnen die het reactievermogen verminderen, zoals slaap- en kalmeringsmiddelen, spierverslappers en medicijnen tegen overgevoeligheid.
  • Deze geneesmiddelen kun je herkennen aan een gele waarschuwingssticker op de verpakking.
Mobiele telefoon
  • Het is verboden een mobiele telefoon vast te houden terwijl je een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig bestuurt. Je mag tijdens het rijden met een van deze voertuigen dus bijvoorbeeld niet handheld bellen, appen, je mail lezen of sms'jes versturen.
  • Sinds 1 juli 2019 is het ook tijdens het fietsen verboden een mobiel elektronisch apparaat vast te houden.
  • Het is ook verboden tijdens het rijden de telefoon tussen je oor en schouder te klemmen.
  • Handsfree bellen is wel toegestaan. Bediening via het dashboard of het stuur en ook spraakbediening zijn daarbij toegestaan.
  • Je mag je telefoon wel vasthouden op het moment dat je stilstaat.

Basisverkeersregels

  • Je moet rechts rijden en links inhalen.

Voorrang

  • Op kruispunten hebben bestuurders van rechts voorrang (tenzij er voorrangsborden of andere verkeerstekens aanwezig zijn die iets anders aangeven). Op de algemene voorrangsregel gelden twee uitzonderingen:
    • Als je op een onverharde weg rijdt, moet je voorrang verlenen aan bestuurders op een verharde weg.
    • Je moet trams voorrang verlenen. 
  • Bestuurders die afslaan, moeten alle rechtdoor gaande weggebruikers, dus ook voetgangers, voor laten gaan (kort gezegd: rechtdoor op dezelfde weg gaat voor). Dit geldt niet voor bestuurders van een tram.
  • Voorrangsvoertuigen die optische en geluidssignalen voeren, zoals een politieauto, brandweerwagen of ambulance met sirene en zwaailicht, moet je voor laten gaan.
  • Binnen de bebouwde kom moet je voorrang verlenen aan de bestuurder van een autobus die met zijn richtingaanwijzer aangeeft dat hij de bushalte wil verlaten.
  • Je moet voetgangers die oversteken, of op het punt staan over te steken, op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad), voor laten gaan
  • Bij het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, zoals wegrijden, achteruitrijden of keren, moet je al het andere verkeer voorrang verlenen. Ook als je bijvoorbeeld een inrit oprijdt, een uitrit verlaat, in- of uitvoegt of van rijstrook wisselt, moet je voorrang verlenen aan het overige verkeer.
  • Ga voor meer informatie over de voorrangsregels in het verkeer naar anwb.nl/verkeer/veiligheid/voorrang.

Rotonde

  • De meeste rotondes in Nederland zijn voorzien van voorrangsborden en haaientanden voor bestuurders die de rotonde op willen rijden. Dit houdt in dat bestuurders die de rotonde naderen, voorrang moeten verlenen aan bestuurders die zich op de rotonde bevinden. Let op: Staan er bij een rotonde geen voorrangsborden of andere verkeerstekens dan hebben bestuurders van rechts voorrang. Bestuurders die de rotonde oprijden hebben dan voorrang op bestuurders die op de rotonde rijden.
  • Alleen als je de rotonde verlaat, ben je verplicht richting aan te geven naar rechts.
  • Voetgangers op een zebrapad en fietsers op een rode fietsstrook op de rotonde hebben voorrang. Ook fietsers, bromfietsers en voetgangers die op een rotonde binnen de bebouwde kom de rijbaan volgen, hebben voorrang op auto's die afslaan (rechtdoor op dezelfde weg gaat voor). Let op: Niet alle verkeersdeelnemers zijn op de hoogte van de (vaak ingewikkelde) voorrangssituatie op een rotonde. Neem daarom bij twijfel geen voorrang en let goed op het overige verkeer.
  • Op anwb.nl/verkeer/veiligheid/rotondes lees je meer over verschillende typen rotondes, de voorrangsregels op rotondes en hoe je een rotonde op de juiste manier neemt. 

Inhalen

  • Je moet links inhalen.
  • Je mag rechts inhalen in de volgende situaties: 
    • Als een bestuurder links voorsorteert en aangeeft naar links te willen.
    • Als je rechts van een blokmarkering rijdt (bijvoorbeeld bij een in- of uitvoegstrook).
    • Als je een tram wilt passeren.
    • In een file.
    • Vlak voor of op een rotonde.
  • Fietsers moeten andere fietsers links inhalen, maar mogen bestuurders van andere voertuigen rechts inhalen.
  • Inhalen is verboden op, of vlak voor, een voetgangersoversteekplaats.
  • Een doorgetrokken streep tussen twee rijstroken betekent dat inhalen verboden is. Zie ook anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/tekens-op-het-wegdek.

Stilstaan

  • Je mag je voertuig niet laten stilstaan op de volgende plaatsen:
    • Op een kruispunt of overweg.
    • Langs een gele doorgetrokken streep.
    • Op, of binnen een afstand van 5 meter van, een oversteekplaats. 
    • In een tunnel.
    • Bij een bushalte ter hoogte van de geblokte markering of als deze markering ontbreekt, binnen een afstand van 12 meter van het bord dat een bushalte aanduidt.
    • Op de rijbaan langs een busstrook.
    • Op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook.

Parkeren

  • Je mag je voertuig niet parkeren op de volgende plaatsen:
    • Op minder dan 5 meter van een kruispunt.
    • Voor een in- of uitrit.
    • Buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg.
    • Langs een gele onderbroken streep.
    • Op een laad- en losplek.
    • Op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder vergunning.
    • Op een parkeerplaats die bestemd is voor een categorie weggebruikers waartoe je niet behoort.
  • Je mag je voertuig ook niet dubbel parkeren.
  • Indien een parkeergelegenheid is voorzien van parkeervakken dan mag je alleen in die vakken parkeren.
  • In een parkeerschijfzone (te herkennen aan een bord en parkeerplaatsen met een blauwe streep) mag je alleen parkeren met een parkeerschijf achter de voorruit waarop de aankomsttijd is aangegeven. Je mag geen parkeerschijf gebruiken met een mechanisme dat tijdens het parkeren het aankomsttijdstip automatisch verschuift. 
  • Ga voor meer informatie over parkeerregels, -overtredingen en -boetes en betaald parkeren naar anwb.nl/verkeer/nederland/parkeren.

Licht- en geluidssignalen

  • Je mag licht- en geluidssignalen alleen gebruiken om een dreigend gevaar af te wenden.
  • Het is dus verboden om licht- en geluidsignalen te gebruiken om bijvoorbeeld andere weggebruikers te begroeten of attent te maken op een snelheidscontrole.

Verkeerslichten

  • Bij een driekleurig verkeerslicht betekent groen licht dat je mag doorrijden en rood licht dat je moet stoppen. Geel licht betekent ook dat je moet stoppen, tenzij je het verkeerslicht zo dicht genaderd bent, dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
  • Als bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij, gelden het gele en rode licht niet voor (brom)fietsers of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig die rechtsaf willen slaan. Deze moeten dan wel op de juiste manier voorrang verlenen aan het overige verkeer.
  • Als bij een voetgangersoversteekplaats het rode voetgangerslicht is vervangen door een geel knipperlicht (driehoek met uitroepteken erin), mag je als voetganger oversteken, maar moet je het overige verkeer voor laten gaan. 
  • Kijk op anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/verkeerslichten voor meer informatie.

Rijstroken

  • Een vluchtstrook mag uitsluitend worden gebruikt bij pech en andere noodgevallen. Het is dus bijvoorbeeld verboden om op de vluchtstrook te stoppen om te telefoneren..
  • Een spitsstrook (vluchtstrook of rijstrook aan de linkerkant) wordt alleen op drukke momenten opengesteld als extra rijstrook. Als de spitsstrook is opengesteld, mag je over de doorgetrokken streep heen rijden. Omdat je zoveel mogelijk rechts moet rijden, geldt bij een spitsstrook aan de rechterkant dus dat je zoveel mogelijk op de spitsstrook (vluchtstrook) moet rijden.
  • Bij het invoegen via een invoegstrook moet je voorrang verlenen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan en ben je verplicht richting aan te geven. Je mag op de invoegstrook eventueel langzamer verkeer rechts inhalen. Zie anwb.nl/verkeer/veiligheid/invoegen voor meer informatie over invoegen.
  • Met ritsen wordt gewenst rijgedrag bij het samenvoegen van rijstroken bedoeld: bestuurders moeten op de wegvallende rijstrook beurtelings invoegen op de doorgaande rijstrook. Je wordt geadviseerd zo lang mogelijk door te rijden op de wegvallende rijstrook. Met verkeersborden wordt het gewenste ritsgedrag aangegeven:
    • Ritsen na 300 m: begin bij dit bord op de wegvallende rijstrook met het aanpassen van je snelheid aan die van het verkeer op de doorgaande rijstrook en maak op de doorgaande rijstrook alvast ruimte voor invoegende bestuurders. 
    • Ritsen vanaf hier: begin pas bij dit bord op de wegvallende rijstrook met het invoegen op de doorgaande rijstrook.
  • Een matrixbord boven een rijstrook kan onder andere het volgende aangeven:
    • Groene pijl of maximumsnelheid: het is toegestaan de rijstrook te gebruiken.
    • Witte pijl: je moet de rijstrook verlaten want even verderop is de rijstrook gesloten (aangegeven met een rood kruis).
    • Rood kruis: het is verboden de rijstrook te gebruiken.
    • BUS of LIJNBUS: op de rijstrook mogen alleen bussen rijden.
    • Witte cirkel met een streep erdoor: einde van verbod.

Bijzonderheden

Politieagent en verkeersregelaar

  • Je bent verplicht de aanwijzingen op te volgen van een politieagent of verkeersregelaar.
  • Deze aanwijzingen hebben voorrang boven verkeersregels en verkeerstekens. 

Uitvaartstoet en militaire colonne

  • Weggebruikers mogen een uitvaartstoet of militaire colonne niet doorsnijden. 
  • Je kunt een uitvaartstoet of militaire colonne herkennen aan vlaggen die op de voertuigen zijn aangebracht:
    • Een uitvaartstoet bestaat uit een aantal motorvoertuigen achter elkaar met elk twee zwarte vlaggen.
    • In een militaire colonne heeft het voorste voertuig twee blauwe vlaggen, elk volgende voertuig een blauwe vlag en het achterste voertuig een groene vlag.

Test je kennis!

  • Veilig Verkeer Nederland (VVN) geeft uitgebreide informatie over verkeersregels op verkeersregels.vvn.nl. Het complete Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) wordt hier uitgelegd aan de hand van situaties met foto’s en tips.
  • Test je kennis of doe een opfriscursus op opfriscursus.vvn.nl.

Maximumsnelheden Nederland

  Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Autowegen Autosnelwegen
Bromfiets, gehandicaptenvoertuig, speedpedelec 30 / 45 (A) 40 / 45 (B) n.v.t. n.v.t.
Gehandicaptenvoertuig met motor op trottoir of voetpad 6 6 n.v.t. n.v.t.
Brommobiel 45 45 n.v.t. n.v.t.
Snorfiets 25 25 n.v.t. n.v.t.
Personenauto, motor, camper 50 80 100 130
Personenauto met aanhanger (toegestane maximummassa aanhangwagen/caravan tot en met 3500 kg) (D) 50 80 90 90
Personenauto met aanhanger (toegestane maximummassa aanhangwagen/caravan meer dan 3500 kg) (D); als bedrijfsauto geregistreerde camper met toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg (D) 50 80 80 (C) 80 (C)
  • A: Op het fiets/bromfietspad: 30 km/h; op de rijbaan: 45 km/h.
  • B: Op het fiets/bromfietspad: 40 km/h; op de rijbaan: 45 km/h.
  • C: Ook voor vrachtwagens geldt een maximumsnelheid van 80 km/h.
  • D: De toegestane maximummassa staat op het kentekenbewijs. Een aanhanger lichter dan 750 kg heeft geen eigen kenteken.
  • Een fietsendrager is geen aanhanger, dus gelden voor een personenauto met een fietsendrager de maximumsnelheden voor een personenauto.
  • Er geldt een maximumsnelheid van 30 km/h voor alle voertuigen binnen 30 km-zones.
  • Ook op de (elektrische) fiets moet je je aan de maximumsnelheden houden.
  • Voor de speedpedelec geldt dezelfde maximumsnelheid als voor een bromfiets.

Borden

  • In principe gelden op alle wegen de hierboven genoemde algemeen geldende maximumsnelheden, maar als er een andere maximumsnelheid geldt, wordt dat aangegeven met een verkeersbord. Dit kan een wit rond bord met een rode rand (A1) langs de kant van de weg of een matrixbord (A3) boven de weg zijn.
  • Let op: Als er verkeersborden of matrixborden zijn die een maximumsnelheid aangeven, gaan deze borden altijd vóór de algemeen geldende maximumsnelheden.
  • Een bepaalde maximumsnelheid kan ook alleen een bepaald deel van de dag gelden. Dit wordt dan aangegeven met een onderbord. Zo mag je op bepaalde autosnelwegen alleen tussen zeven uur 's avonds en zes uur 's ochtends 130 km/h rijden, wat wordt aangegeven met het A1-verkeersbord 120 met het onderbord 6-19h.

Strepen op de weg

  • Aan strepen op wegen buiten de bebouwde kom kun je aflezen wat de maximumsnelheid op die wegen is.
  • Let op: Als er verkeersborden of matrixborden zijn die een maximumsnelheid aangeven, gaan deze borden altijd vóór de strepen.
  • Strepen aan beide zijkanten en in het midden van een weg geven als volgt aan wat de maximumsnelheid op die weg is:
    • Doorgetrokken kantstrepen en twee (doorgetrokken of onderbroken) middenstrepen met een groene vulling100 km/h.
    • Onderbroken kantstrepen en twee (doorgetrokken of onderbroken) middenstrepen zonder vulling80 km/h.
    • Onderbroken kantstrepen en geen middenstrepen: normaal mag je hier 80 km/h, maar vaak staat hier het bord 60 km/h.
  • Op anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/tekens-op-het-wegdek vind je meer informatie over strepen op de weg.
  • De maximumsnelheid op een bepaalde weg wordt ook aangegeven op de hectometerbordjes langs de weg.

Adviessnelheid

  • Op sommige plaatsen wordt een adviessnelheid aangegeven met blauwe vierkante verkeersborden met witte tekst (A4). Vaak wordt op een ander verkeersbord aangegeven waarom je wordt geadviseerd op die plaats langzamer te rijden dan de maximumsnelheid. Meestal gaat het om een scherpe bocht, maar er kan ook een adviessnelheid gelden bij andere gevaarlijke verkeerssituaties.
  • Bij een bord dat een adviessnelheid aangeeft, mag je in principe sneller rijden. Dit wordt echter sterk afgeraden. Met hogere snelheden kun je bijvoorbeeld uit de bocht vliegen of niet op tijd remmen voor een verkeerssituatie die je nog niet kunt zien.

Minimumsnelheid

  • In Nederland geldt geen minimumsnelheid op de wegen.
  • Let op: Als je erg langzaam rijdt en zo het overige verkeer hindert of in gevaar brengt, kun je wel een boete krijgen.
  • Op autowegen en autosnelwegen geldt wel een minimumconstructiesnelheid (hoe snel een voertuig minstens moet kunnen rijden om op een bepaalde weg te mogen rijden):
    • Je mag alleen op autowegen rijden als je voertuig ten minste 50 km/h kan en mag rijden.
    • Je mag alleen op autosnelwegen rijden als je voertuig ten minste 60 km/h kan en mag rijden.

Auto

Verlichting

  • Het is niet verplicht om overdag bij helder weer licht te voeren.
  • Je moet dimlicht voeren wanneer het zicht overdag ernstig wordt belemmerd en 's nachts (na zonsondergang).
  • Je mag 's nachts met groot licht rijden als alleen dimlicht niet voldoende zicht geeft, maar het voeren van groot licht is in de volgende gevallen verboden: 
    • Als je een andere weggebruiker tegenkomt.
    • Als je op korte afstand achter een ander voertuig rijdt.
  • Bij mist, sneeuwval of regen, als het zicht ernstig belemmerd wordt, mag je mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoef je geen dimlicht te voeren. 
  • Een mistachterlicht mag alleen worden gebruikt wanneer het zicht door mist of sneeuwval minder dan 50 m is. Let op: Het mistachterlicht mag niet worden gebruikt bij regen.
  • Het is verboden om onnodig mistlampen te gebruiken omdat deze lampen zeer fel zijn en bij normaal zicht andere weggebruikers kunnen hinderen. 

Ruiten

  • De voorruit en de zijruiten naast de bestuurder mogen niet beschadigd zijn of verkleuringen vertonen en niet voorzien zijn van onnodige voorwerpen die het zicht van de bestuurder belemmeren.
  • Bij het beplakken of coaten van ruiten mag de lichtdoorlatendheid van de voorruit en de voorste zijruiten nooit minder dan 55% worden. De achterruit mag wel zijn voorzien van een niet of weinig lichtdoorlatende folie of coating. Het voertuig moet dan wel een rechterbuitenspiegel hebben.

Spiegels

  • Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. Als de binnenspiegel echter geen zicht naar achteren mogelijk maakt, hoeft deze niet aanwezig te zijn. 
  • Personenauto’s die voor deze datum in gebruik zijn genomen, moeten minimaal beschikken over een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel. Als de bestuurder echter via de binnenspiegel het weggedeelte achter de auto niet voldoende kan overzien, moet de auto ook worden voorzien van een rechterbuitenspiegel. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achter mogelijk maakt, dan hoeft deze niet aanwezig te zijn.
  • Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.

Banden

  • De wettelijke minimumprofieldiepte van een band is 1,6 mm. Onder de 2 millimeter profieldiepte wordt vervanging van de band aangeraden.
  • De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel.

Inzittenden

Kinderen

  • De basisregel is dat kinderen kleiner dan 1,35 m in een goedgekeurd en passend kinderbeveiligingssysteem moeten zitten. Goedgekeurd zijn kinderzitjes met ECE-labels. Passend betekent dat het kinderbeveiligingssysteem aangepast moet zijn aan de lengte en het gewicht van het kind. Kinderen vanaf 1,35 m en volwassenen moeten gebruik maken van de veiligheidsgordel. Meer informatie over het vervoer van kinderen en de uitzonderingen vind je op anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/vervoer-kinderen-nederland.
  • Op anwb.nl/auto/tests/autostoeltjes vind je een test van kinderzitjes.

Lading

  • De lading die je meeneemt in of op de auto of camper, mag het zicht van de bestuurder niet belemmeren.
  • Zet de lading goed vast en zorg dat de lading niemand in of buiten de auto of camper in gevaar brengt, geen schade toebrengt aan openbare of persoonlijke eigendommen en niet op de weg kan vallen. 
  • De lading mag de kentekenplaat, verlichting, retroreflectoren en richtingaanwijzers niet bedekken.
  • Lading mag niet rechtstreeks op het dak worden vervoerd, maar alleen in of op een daarvoor bestemde lastdrager zoals een dakkoffer of een imperiaal.
  • Meer informatie over lading en hoever deze mag uitsteken vind je op anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/afmetingen-van-autos-en-aanhangers.

Afmetingen

  • Het gewicht van de lading mag het laadvermogen van de auto of camper niet overschrijden.
  • Een auto of camper mag inclusief lading niet breder zijn dan 2,55 m (2,20 m op onverharde wegen). Het verkeersbord C18 kan een andere maximumbreedte opleggen.
  • Een auto of camper mag inclusief lading niet hoger zijn dan 4 m. Het verkeersbord C19 kan een andere maximumhoogte opleggen.
  • Ga voor meer informatie over het vervoer van in de breedte of lengte uitstekende lading naar anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/afmetingen-van-autos-en-aanhangers.

Fietsendrager

  • Op de trekhaak geplaatste fietsendragers mogen uitsluitend voor fietsen worden gebruikt. 
  • Je mag niet meer fietsen op de fietsendrager vervoeren dan waarvoor de fietsendrager is gemaakt.
  • Fietsen mogen maximaal 20 cm aan beide zijkanten uitsteken tot een maximumbreedte van 2,55 m (spiegels worden niet daarbij meegerekend). Een markeringsbord aan de zijkant is niet nodig.
  • Als de fietsendrager de kentekenplaat van de auto gedeeltelijk of geheel bedekt, moet je een witte kentekenplaat aanbrengen op de drager. Bedekt de fietsendrager ook geheel of gedeeltelijk de verlichting, retroreflectoren en richtingaanwijzers dan moet je ook een verlichtingsbalk met kentekenplaat, verlichting en reflectoren op de drager aanbrengen. 
  • Een fietsendrager wordt niet gerekend tot de aanhangwagens, dus je hoeft geen extra mistachterlicht aan te brengen.

Dashcam

Caravan en aanhangwagen

Afmetingen, maxima

  Nederland opm.
Breedte combinatie (excl. spiegels) 2,55 m (A)
Hoogte combinatie 4 m  
Lengte aanhanger (incl. dissel) 12 m  
Lengte combinatie 18 m  
  • (A) De maximale breedte van een auto met caravan of aanhangwagen is 2,55 m op verharde wegen, maar slechts 2,20 m op onverharde wegen.
  • De maximale hoogte van een caravan en een aanhangwagen is 4 m.

Lading op een aanhangwagen

Bijzonderheden

Plaats op de weg

  • Als je met een combinatie (auto met caravan of aanhanger) die langer is dan 7 meter, op een autosnelweg met drie of meer rijstroken rijdt, mag je uitsluitend de twee meest rechtse rijstroken gebruiken. Het is in dat geval verboden op een andere rijstrook te rijden. Dit verbod geldt niet als je moet voorsorteren.

Verkeersregels bromfiets en snorfiets

  • Hier worden enkele belangrijke verkeersregels vermeld voor de bromfiets en de snorfiets. Het verschil tussen een bromfiets en een snorfiets zit hem in de constructiesnelheid, dat wil zeggen de snelheid waarvoor het voertuig is gemaakt. De regels voor een bromfiets (45 km/h) gelden ook voor een bromscooter en de regels voor een snorfiets (25 km/h) gelden ook voor een snorscooter
  • Ook voor een quad of trike die is goedgekeurd als bromfiets, gelden dezelfde regels als voor een bromfiets.
  • Een brommobiel is voor de wet ook een bromfiets, maar hiervoor gelden enkele afwijkende regels, die verderop apart worden besproken.
  • Voor een gehandicaptenvoertuig met een motor en een maximumsnelheid van 45 km/h, zoals een scootmobiel, gelden bijzondere regels, die ook verderop apart worden vermeld. 

Veilig rijden

Rijden onder invloed

  • Als je een beginnend bestuurder bent van een voertuig waarvoor een rijbewijs is vereist, geldt een strengere limiet en is het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed 0,2 promille (of 88 microgram per liter uitgeademde lucht). 
  • Let op: Als je vóór je 18e verjaardag je rijbewijs AM behaalt, ben je 7 jaar lang beginnend bestuurder. Als je 18 jaar of ouder bent wanneer je je rijbewijs haalt, ben je 5 jaar lang beginnend bestuurder. Ga voor meer informatie naar anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/rijbewijs/beginnend-bestuurder.

Mobiele telefoon

  • Bestuurders van een bromfiets, snorfiets, quad, trike, brommobiel of gehandicaptenvoertuig mogen tijdens het rijden geen mobiele telefoon vasthouden.

Bromfiets

  • Om een bromfiets te kunnen besturen, moet je minimaal 16 zijn en heb je een bromfietsrijbewijs (rijbewijs AM) nodig. Als je in het bezit bent van een autorijbewijs (rijbewijs B) of motorrijbewijs (rijbewijs A), heb je geen apart bromfietsrijbewijs nodig.
  • De bromfiets heeft een kleine gele kentekenplaat.

Helm

  • Op de bromfiets moet je een goedgekeurde bromfietshelm (norm ECE 22.05) dragen. Ook een eventuele passagier moet een goedgekeurde bromfietshelm dragen.

Verlichting

  • Voor een bromfiets is 's nachts en bij slecht zicht overdag dimlicht verplicht.

Spiegel

  • Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten ten minste zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel.

Passagiers

  • Je mag op een bromfiets alleen een passagier meenemen als er een voor een passagier bestemde zitplaats aanwezig is.
  • Kinderen beneden de 8 jaar mogen alleen achter op een of bromfiets worden vervoerd als er een veilige zitplaats aanwezig is met voldoende steun voor rug, handen en voeten. Dit betekent in de praktijk dat kinderen in een passend kinderzitje moeten worden vervoerd.
  • Kinderen die achter op een bromfiets worden vervoerd, moeten een goedgekeurde helm dragen (controleer of het Europese keurmerk, een omcirkelde E met een nummer, op het label voorkomt).
  • Om te voorkomen dat een voet van het kind tussen de spaken komt, is het verstandig te zorgen voor een goede spaakafscherming. Dit is een scherm van hard plastic dat tussen de voetensteun en het wiel is geplaatst. 
  • Kinderen mogen niet in de laadbak van een (bak)bromfiets worden vervoerd.

Aanhanger

  • Je mag een aanhanger trekken, mits deze niet hoger en breder is dan 1 m.
  • Met een bromfiets met aanhanger, die met inbegrip van de lading breder is dan 0,75 meter, mag je ook de rijbaan gebruiken.
  • Je mag geen personen vervoeren in een aanhanger die wordt getrokken door een bromfiets.

Plaats op de weg

  • Met een bromfiets is het verboden om op het fietspad te rijden.
  • Je moet op het verplichte fiets/bromfietspad rijden als dat aanwezig is of anders op de rijbaan rijden.
  • Als je met een bromfiets op het brom/fietspad rijdt, moet je je aan de regels voor fietsers houden, maar als je op de rijbaan rijdt, moet je je houden aan de regels voor auto's en motoren en dit betekent onder andere het volgende:
    • Je mag niet rechts inhalen (tenzij je links afslaand verkeer wilt passeren).
    • Je mag geen gebruikmaken van fietsstroken op de rijbaan (en dus ook niet voorsorteren op een fietsstrook).

Naast elkaar rijden

  • Op een bromfiets mag je niet met z'n tweeën naast elkaar, of naast een fietser rijden.

Parkeren

  • Je kunt een bromfiets of snorfiets parkeren op het trottoir, het voetpad, de berm of andere aangewezen plekken.

Snorfiets

  • Om een snorfiets te kunnen besturen, moet je minimaal 16 zijn en heb je een bromfietsrijbewijs (rijbewijs AM) nodig. Als je in het bezit bent van een autorijbewijs (rijbewijs B) of motorrijbewijs (rijbewijs A), heb je geen apart bromfietsrijbewijs nodig.
  • De snorfiets heeft een kleine blauwe kentekenplaat.

Helm

  • Op een snorfiets hoef je geen helm te dragen. 
  • Amsterdam: zie 'Snorfiets in Amsterdam'.

Verlichting

  • Voor een snorfiets is 's nachts en bij slecht zicht overdag dimlicht verplicht.

Spiegel

  • Snorfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten ten minste zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel.

Passagiers

  • Je mag op een snorfiets alleen een passagier meenemen als er een voor een passagier bestemde zitplaats aanwezig is.
  • Het is verboden een passagier te vervoeren op de bagagedrager van een snorfiets.
  • Kinderen beneden de 8 jaar mogen alleen achter op een snorfiets worden vervoerd als er een veilige zitplaats aanwezig is met voldoende steun voor rug, handen en voeten. Dit betekent in de praktijk dat kinderen in een passend kinderzitje moeten worden vervoerd.
  • Kinderen die achter op een snorfiets worden vervoerd, hoeven geen helm te dragen.
  • Om te voorkomen dat een voet van het kind tussen de spaken komt, is het verstandig te zorgen voor een goede spaakafscherming. Dit is een scherm van hard plastic dat tussen de voetensteun en het wiel is geplaatst. 

Aanhanger

  • Je mag een aanhanger trekken met een snorfiets, mits deze niet hoger en breder is dan 1 m.
  • Je mag geen personen vervoeren in een aanhanger die wordt getrokken door een snorfiets.

Plaats op de weg

  • Met een snorfiets moet je op het verplichte fietspad of fiets/bromfietspad rijden als dat aanwezig is of anders op de rijbaan.
  • Let op: Als je een snorfiets met een verbrandingsmotor bestuurt, mag je op een onverplicht fietspad alleen met uitgeschakelde motor rijden.
  • Amsterdam: zie 'Snorfiets in Amsterdam'.

Naast elkaar rijden

  • Op een snorfiets mag je niet met z'n tweeën naast elkaar, of naast een fietser rijden.

Parkeren

  • Je kunt een snorfiets parkeren op het trottoir, het voetpad, de berm of andere aangewezen plekken.

Snorfiets in Amsterdam

Trike en quad

Brommobiel

  • Een brommobiel is een bromfiets met meer dan twee wielen die lijkt op een kleine personenauto en een constructiesnelheid heeft van 45 km/h. Een brommobiel heeft een kleine gele kentekenplaat. 
  • Een brommobiel is te herkennen aan een ronde witte sticker (of rond wit bordje) met een rode rand met de aanduiding 45 (km).
  • Let op: Een brommobiel is niet hetzelfde als een gehandicaptenvoertuig.
  • Om een brommobiel te kunnen besturen, moet je minimaal 16 zijn en heb je een bromfietsrijbewijs (AM) nodig. Als je in het bezit bent van een autorijbewijs (rijbewijs B) of motorrijbewijs (rijbewijs A), heb je geen bromfietsrijbewijs nodig.

Veiligheidsgordels of helm

  • In een brommobiel moet je gordels dragen, maar hoef je geen helm op. Als je rijdt in een open brommobiel waarin geen gordels aanwezig zijn, is een goedgekeurde bromfietshelm wel verplicht.

Verlichting

  • Voor brommobielen is 's nachts en bij slecht zicht overdag dimlicht verplicht.

Spiegel

  • Brommobielen met een gesloten carrosserie die die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel hebben of een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Plaats op de weg

  • Met een brommobiel is het verboden om op het fietspad te rijden. Je mag alleen op de rijbaan rijden.
  • Als bestuurder van een brommobiel moet je de verkeersregels voor personenauto's en motoren volgen.
  • Het is echter verboden om met een brommobiel te rijden op autowegen, autosnelwegen en wegen die gesloten zijn voor langzaam verkeer.
  • Het is wel toegestaan om met een brommobiel op een 80-kilometerweg te rijden, maar op veel drukke 80-kilometerwegen wordt een brommobiel geweerd via het bord C9 (weg gesloten voor onder andere tractoren, bromfietsen, fietsen en brommobielen).

Gehandicaptenvoertuig

  • Een gehandicaptenvoertuig met motor is een voertuig dat is ingericht voor vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en een maximumsnelheid heeft van 45 km/h. 
  • Voorbeelden van gehandicaptenvoertuigen met motor zijn: een elektrische rolstoel, scootmobiel of gesloten gehandicaptenvoertuig, zoals de Canta.
  • Let op: Een brommobiel behoort niet tot de gehandicaptenvoertuigen, ook niet als deze is ingericht voor vervoer van een gehandicapte.
  • Als het gehandicaptenvoertuig harder kan dan 10 km/h, moet je minimaal 16 zijn om erop te mogen rijden (ontheffing voor jongere bestuurders is mogelijk). 
  • Voor een gehandicaptenvoertuig zonder motor gelden de verkeersregels voor voetgangers (op het voetpad) of fietsers (op fietspad en rijbaan).

Veiligheidsgordel

  • In een gehandicaptenvoertuig is het dragen van een veiligheidsgordel niet verplicht.

Verlichting

  • Voor gehandicaptenvoertuigen is 's nachts en bij slecht zicht overdag dimlicht verplicht. Dit geldt niet als je op de stoep rijdt.

Plaats op de weg

  • Als bestuurder van een gehandicaptenvoertuig met motor mag je op de stoep, het voetpad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan rijden. Als er meerdere wegonderdelen naast elkaar aanwezig zijn, mag je zelf kiezen waar je wilt rijden. 
  • Als bestuurder van een gehandicaptenvoertuig moet je je houden aan de verkeersregels die gelden voor de weg waarop je rijdt: op de stoep ben je bijvoorbeeld een voetganger, op het fietspad een fietser en op de rijbaan een auto. 
  • Het is verboden om met een gehandicaptenvoertuig te rijden op autowegen, autosnelwegen en wegen die gesloten zijn voor langzaam verkeer.
 

Fiets

  • Hier worden enkele belangrijke verkeersregels vermeld voor de fiets en de standaard elektrische fiets (die trapondersteuning biedt tot 25 km/h).
  • Voor een speedpedelec (snelle elektrische fiets die trapondersteuning biedt tot 45 km/h) gelden speciale regels die verderop apart worden beschreven.

Fiets en elektrische fiets

  • De verkeersregels voor de fiets gelden ook zonder uitzondering voor een standaard elektrische fiets die trapondersteuning biedt tot 25 km/h.
  • Een elektrische fiets (of e-bike) heeft de volgende kenmerken: 
    • Je moet meetrappen om vooruit te komen.
    • De fiets biedt trapondersteuning tot 25 km/h.
    • De elektromotor van de fiets heeft een vermogen van maximaal 250 watt.
  • Je hebt voor een standaard elektrische fiets geen rijbewijs of kenteken nodig en voor het rijden op deze fiets geldt geen minimumleeftijd.
  • Zie ook anwb.nl/juridisch-advies/in-het-verkeer/verkeersregels/regels-voor-elektrische-fietsen voor meer informatie.

Helm

  • Het dragen van een helm op de fiets is niet verplicht, ook niet voor een standaard elektrische fiets met trapondersteuning tot 25 km/h. (Voor een speedpedelec is een helm wél verplicht.)

Verlichting

  • Als fietser moet je 's nachts en ook overdag bij slecht zicht, je voor- en achterlicht laten branden.
  • Voor moet het licht de kleur wit of geel hebben; achter moet het licht de kleur rood hebben.
  • Het licht moet recht vooruit schijnen en mag niet knipperen of te veel bewegen.
  • In plaats van vaste lampen op de fiets zijn ook losse lampjes toegestaan. Je mag deze lampjes op je borst en rug dragen. Je kunt dan de lampjes vastmaken aan kleding en/of tassen. Je moet er dan wel voor zorgen dat er niets over de lampjes heen hangt en ze goed zichtbaar zijn.
  • De fiets moet daarnaast voorzien zijn van een rode reflector achter, gele of witte reflectoren op de wielen en oranje of gele reflectoren aan de trappers.

Passagiers

  • Het is toegestaan om één passagier van 8 jaar of ouder achter op de bagagedrager van de fiets mee te nemen.

Kinderen

  • Kinderen onder de acht jaar mogen alleen op de fiets of elektrische fiets vervoerd worden als ze zitten op een doelmatige en veilige zitplaats met voldoende steun voor rug, handen en voeten. Dit komt er in de praktijk op neer dat kinderen tot 5 jaar in een speciaal kinderfietsstoeltje moeten zitten.
  • Het is verstandig te zorgen voor een goede spaakafscherming om te voorkomen dat een voet van het kind tussen de spaken komt.

Aanhanger

  • Je mag achter je fiets een aanhanger trekken die niet breder is dan 1 m.
  • Je moet met je aanhanger op het verplichte fietspad rijden, maar als de aanhanger inclusief lading breder is dan 0,75 m, mag je, als je dat wilt, ook op de rijbaan rijden. 

Fietsen onder invloed

  • Fietsers mogen niet onder invloed van drugs of alcohol zijn.
  • Het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed is 0,5 promille (of 220 microgram per liter uitgeademde lucht bij een blaastest).

Mobiele telefoon

  • Sinds 1 juli 2019 is het verboden om tijdens het fietsen een mobiele telefoon of ander elektronisch apparaat vast te houden. Voor bellen, appen, het scherm lezen en navigeren tijdens het fietsen kun je een boete krijgen.
  • Je mag je telefoon wel handsfree gebruiken, bijvoorbeeld met oortjes of een koptelefoon, maar dan moet je zorgen dat je het omgevingsgeluid kunt blijven horen, bijvoorbeeld door het volume zacht genoeg te zetten of maar één oortje in te doen. 
  • Je mag tijdens het fietsen ook geen apparaat vasthouden om te navigeren. Je mag je telefoon of navigatieapparaat wel in een houder op het stuur plaatsen. 

Naast elkaar rijden

  • Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden.

Inhalen

  • Fietsers moeten elkaar links inhalen. Ze mogen andere voertuigen rechts inhalen.

Plaats op de weg

  • Als fietser moet je op een verplicht fietspad of fiets-/bromfietspad rijden als dat aanwezig is. Een verplicht fietspad of fiets-/bromfietspad herken je aan een rond blauw verkeersbord met een witte fiets (bord G11) of een witte fiets en bromfiets (bord G12a). 
  • Als fietser mag je gebruikmaken van een onverplicht fietspad. Een onverplicht fietspad is te herkennen aan een rechthoekig blauw verkeersbord met het woord fietspad (bord G13).
  • Als er geen fietspad is, moet je van de rijbaan gebruikmaken.
  • Het is verboden om met de fiets op het trottoir te rijden.
  • Fietsen met meer dan twee wielen mogen op de rijbaan rijden als ze breder zijn dan 0,75 meter.

Speedpedelec

  • Een speedpedelec is een tweewieler met elektrische trapondersteuning tot maximaal 45 km/h. De speedpedelec moet een kleine gele kentekenplaat hebben.
  • Om een speedpedelec te kunnen besturen, moet je minimaal 16 zijn en heb je een bromfietsrijbewijs (rijbewijs AM) nodig. Als je in het bezit bent van een autorijbewijs (rijbewijs B) of motorrijbewijs (rijbewijs A), heb je geen bromfietsrijbewijs nodig.
  • Een speedpedelec kan veel harder dan een standaard elektrische fiets en daarom gelden hiervoor dan ook grotendeels dezelfde verkeersregels als voor een bromfiets. Zie ook anwb.nl/fietsen/elektrische-fietsen/regels-speed-pedelec en rijksoverheid.nl/onderwerpen/fiets/vraag-en-antwoord/welke-regels-gelden-voor-speed-pedelec voor meer informatie.

Helm

  • Als bestuurder van een speedpedelec moet je een goedgekeurde bromfietshelm (norm ECE 22.05) of een goedgekeurde speedpedelec-helm (norm NTA 8776:2016) dragen.

Spiegel

  • Op een speedpedelec moet een achteruitkijkspiegel aanwezig zijn.

Rijden onder invloed

  • Voor bestuurders van een speedpedelec is het maximaal toegestane alcoholgehalte in het bloed 0,5 promille. Voor beginnende bestuurders, is dat 0,2 promille. 

Mobiele telefoon

  • Ook op een speedpedelec is het verboden om een mobiele telefoon vast te houden.

Plaats op de weg

  • Met een speedpedelec is het verboden om op het fietspad te rijden.
  • Je moet op het verplichte fiets/bromfietspad rijden als dat aanwezig is of anders op de rijbaan.
  • Let op: Als je met een speedpedelec op het brom/fietspad rijdt, moet je je aan de regels voor fietsers houden, maar als je op de rijbaan rijdt, moet je je houden aan de regels voor auto's en motoren en dit betekent onder andere het volgende:
    • Je mag niet rechts inhalen (tenzij je links afslaand verkeer wilt passeren).
    • Je mag geen gebruikmaken van fietsstroken op de rijbaan (en dus ook niet voorsorteren op een fietsstrook).

Motor

  • Hier worden de belangrijkste verkeersregels gegeven voor het rijden op een motor.
  • Voor een motorscooter gelden precies dezelfde regels als voor een motor.

Helm

  • Het dragen van een helm is verplicht voor zowel bestuurder als passagier.

Verlichting

  • Je moet dimlicht voeren wanneer het zicht overdag ernstig wordt belemmerd en 's nacht (na zonsondergang).
  • Je wordt geadviseerd om overdag op de motor altijd je dimlicht (of dagrijlicht) te gebruiken omdat je dan beter opvalt in het verkeer. Op motorplatform.nl vind je tips om beter op te vallen in het verkeer.

Spiegels

  • Op een motor (die in gebruik is genomen na 16-6-2003) is zowel een linkerspiegel als een rechterspiegel verplicht.

Passagiers

  • Je mag alleen een passagier vervoeren op de motor als daarop een voor een passagier bestemde zitplaats aanwezig is.

Kinderen

  • Kinderen die op de motor worden vervoerd, moeten een goedgekeurde helm dragen en mogen alleen op een voor een passagier bestemde zitplaats zitten.
  • De wet geeft voor het vervoer van kinderen op de motor geen specifieke informatie. Er zijn geen regels wat betreft leeftijd, lengte of het gebruik van kinderzitjes voor het vervoer van kinderen op de motor. Je moet dus zelf beoordelen of het veilig is om het kind te vervoeren. Let extra op bescherming van de voeten en laat het kind passende beschermende kleding dragen.

Aanhanger

  • Het is toegestaan om een aanhanger aan een motor te koppelen.
  • De maximale breedte voor aanhangers van motoren is 2 m en de maximale hoogte 1 m.
  • De aanhanger moet zijn voorzien van een kentekenplaat en verlichting.
  • Je mag met een motor met zijspan alleen een aanhanger trekken als het wiel van de zijspanwagen een rem heeft.

Filerijden

  • Je mag op de motor in een file langzaam tussen de auto’s door rijden.
  • Het snelheidsverschil tussen de motor en de auto’s in de file mag niet meer zijn dan 10 km/h.

Gedragscode

  • Er zijn in de wet geen specifieke regels voor het filerijden opgenomen, maar er is wel een filegedragscode opgesteld die door de belangrijkste organisaties op het gebied van verkeersveiligheid wordt ondersteund.
  • Deze gedragscode bevat onder andere de volgende waarschuwingen en spelregels voor motorrijders in de file:
    • Houd er rekening mee dat je relatief slecht zichtbaar bent voor automobilisten en dat automobilisten je snelheid vaak slecht kunnen inschatten.
    • Rijd rustig tussen de voertuigen door. Het verschil in snelheid mag niet meer dan 10 km/h zijn.
    • Wees extra alert op automobilisten die plotseling van rijstrook wisselen of hun portier openen.
    • Gebruik je alarmlichten als je een file nadert om het overige verkeer op de file te attenderen. Gebruik echter geen alarmlichten of richtingaanwijzers tijdens het rijden door de file om verwarring bij automobilisten te voorkomen.
    • Ben je het laatste voertuig in een file, gebruik ook dan je alarmlichten of je remlicht om het achteropkomende verkeer te waarschuwen. Ga bij voorkeur tussen de wachtende auto's staan als dat mogelijk is, want dat is veiliger.
    • Gebruik voor het filerijden op snelwegen met meer dan twee rijstroken, de ruimte tussen de auto's op de twee meest linkse rijstroken.
    • Voeg weer in als de file weer op gang komt en gebruik daarbij je richtingaanwijzers.
  • De gedragscode omvat ook waarschuwingen en spelregels voor automobilisten om te zorgen dat zij aandacht en ruimte geven aan motorrijders in een file. Je vindt de gedragscode op motorplatform.nl/over-ons/samenspel-in-de-file
  • Zie ook anwb.nl/verkeer/nieuws/nederland/2011/maart/vijf-vragen-over-motoren-in-de-file voor meer informatie over de filegedragscode en filerijden op de motor.

Slepen

  • Je mag met een motor geen motorvoertuig slepen en je motor mag ook niet door een ander voertuig worden gesleept.

Parkeren

  • Een motor moet je waar mogelijk parkeren in een parkeervak, net als een auto.
  • In veel gemeenten is het toegestaan je motor op de stoep te parkeren. Je mag daarmee anderen niet in gevaar brengen en je geparkeerde motor mag voetgangers en rolstoelgebruikers niet hinderen. Een motor met zijspan mag daarom vaak niet op de stoep staan.
  • In gemeenten waar speciale motorparkeerplaatsen aanwezig zijn, is parkeren op de stoep soms niet toegestaan.
  • Informeer eventueel bij de gemeente of je op de stoep mag parkeren.

Trike en quad

Verkeersborden

De Nederlandse verkeerborden vind je hier.

Meer praktische informatie over route en onderweg:

Verkeer
Tanken
Nederlandse verkeersborden
Verkeersboetes
Verplicht mee in de auto
Tol
Milieuzones
Verkeersinformatie