Noord-Funen

Kom tot rust op dit prachtige Deense eiland

Toe aan een rustpauze? Het noorden van het Deense eiland Funen is één groot kuuroord, waar je je kunt onderdompelen in de prachtigste natuur. De hoofdrol is ongetwijfeld weggelegd voor de meest rustgevende dieren die we kennen: koeien.

Uren zou je ernaar kunnen luisteren: het gesnuif van de koeien op Enebærodde. De Galloway-runderen zijn klein van stuk en hebben door hun lodderige ogen en harige vacht een aaibaarheidsfactor 10+. Met hun lange tongen grazen ze het heideveld centimeter voor centimeter af. Maar dit is niet dé reden dat we het 5,5 kilometer lange schiereiland op onze Funense bucketlist hebben gezet. Op Enebærodde leven de koeien op en rond het strand en nemen af en toe zelfs een duik in het zilte water van het Kattegat.

Tijdens ons bezoek geselt een straffe zeewind de flora en fauna, dus de Galloways gaan niet verder dan hun knieën het water in. Maar de bijzondere ervaring is er niet minder om. Het kalfje dat tevreden smakkend bij zijn moeder drinkt is een ontroerende bonus. Enebærodde is een beschermd natuurgebied en verboden voor auto’s. Om toch sneller dan wandeltempo van het vasteland naar de kop van het eiland te komen, krijgen we een zeldzame lift van een paard en wagen. De Fjordenpaarden die ervoor gespannen staan nemen de tijd en langzaam sjokken we door de bossen en over de heide. Dit is tempo doeloe op zijn Deens.

Dolen door het land

In Noord-Funen lijkt de stress ver weg. Uren kun je er dolen per fiets, wandelend of zelfs te paard. De wegen zijn zacht glooiend en her en der onverhard. Strandtoerisme is hier compleet anders dan wat we gewend zijn. De duinen mogen nauwelijks een naam hebben, het zijn meer bermen die de scheiding tussen zee en weg markeren. De kustbebouwing bestaat vooral uit af en toe een plukje bloedrode strandhuisjes, veelal van visfanaten. Vlak voor de kust liggen tal van motorbootjes te wachten op een vistrip.

Hoorn des Overvloeds

Noord-Funen is een genot voor het oog. Wij bezoeken de streek in de laatste week van mei en vergapen ons aan het imposante kleurenpalet van seringenpaars en koolzaadgeel, aangevuld met duizenden tinten groen en soms het azuurblauw van de zee. Je kunt je haast niet voorstellen dat het in zo’n groene omgeving nodig is om speciale natuurgebieden af te sluiten voor de mens en terug te geven aan de elementen. En toch gebeurt het.

Gyldensteen Strand, op steenworp afstand van de leuke havenplaats Bogense, is een reservaat dat twee jaar geleden is ontstaan nadat een gebied van 600 hectare werd ontpolderd. Na het doorsteken van de dijk kreeg het tij van het Kattegat weer grip op de voormalige landbouwgrond, dat inmiddels is omgevormd tot een enorm wetland omzoomd door hoog gras en rietkragen. En ja hoor, ook hier krijgen we een relaxsessie van koeien aangeboden. Samen met geiten zijn het de grasmaaiers van vlees en bloed, hun begrazing houdt het gebied (weer) open. 

Door het selectieve eetgedrag van de grazers krijgen nieuw opschietend gras en uitlopers van woekerende struiken geen kans en is er ruimte voor bijzondere planten. Zeldzame orchideeën groeien en bloeien hier uitbundig, terwijl de mest van met name koeien een broed- en voedplaats is voor allerlei kruipende en vliegende friemelbeestjes. Alsof ze uit de hoorn des overvloeds snoepen liggen de koeien heerlijk languit te herkauwen en genieten in alle rust nóg eens van hun portie bijzondere groente. 

Gyldensteen Strand krijgt het karakter van een slufter. De getijden brengen een keur aan lekkere hapjes mee voor vogels van allerlei pluimage, zoals grauwe ganzen en meeuwen. Vanuit de vogelkijkhut heb je een prachtig uitzicht over de natte vlakte, een vogelaar zal hier zijn hart ophalen. Bij een reis naar Noord-Funen mag een verrekijker zeker niet ontbreken in de bagage. En houd de camera continu bij de hand, zo leren we. Als de fotospullen nét zijn ingepakt plonst een kudde edelherten aan onze neus voorbij. Tja, de natuur laat zich niet dwingen. 

De laatste stop op onze koeiensafari is in Morud, een dorpje zo’n twintig kilometer ten zuiden van Bogense en even ten noorden van Odense. Daar bezoeken we de bizonfarm Ditlevsdal. Op de prairie… eh, weide achter deze typisch Deense hofboerderij loopt een kudde van zo’n honderd bizons die veelal op Ditlevsdal geboren en getogen zijn. Nee, ze leven niet in vrijheid, maar wel 24/7 in de buitenlucht. Door hun dikke pels zijn ze prima gewapend tegen weersinvloeden.

Anders dan op Enebærodde of bij Gyldensteen Strand hebben we niet de neiging om de bizons, en dan met name de wollige kalfjes, een lekkere knuffel te geven. Een stoot van zo’n enorme bizonkop of van de vlijmscherpe horens zul je misschien niet kunnen navertellen. Gelukkig kun je er met de speciale huifkartochten wel vlakbij komen. Wat een ervaring om deze machtige superkoeien van zo dichtbij te zien! De bizons in Ditlevsdal hebben een goed leven, maar uiteindelijk wacht toch het mes van de slager.

Het restaurant op de boerderij verwerkt het vlees in prachtige gerechten. Zomaar langskomen en aanschuiven is niet vanzelfsprekend, reserveren is gewenst. De bizonsteak waarmee de kok trots poseert gaat dan ook aan onze mond voorbij, de zaak is vol. Gelukkig is het vlees ook onbereid en vacuüm verpakt te koop in het winkeltje. Dat is nog eens een bijzonder souvenirtje voor de thuisblijvers! De safaritocht heeft ons geleerd waarom Noord-Funen zo heerlijk rustgevend is: niemand laat zich er koeioneren.

Misschien vind je dit ook interessant: