Vrouwen op de fiets

Dat behalve mannen ook vrouwen gingen fietsen, was eind negentiende eeuw niet vanzelfsprekend. Sterker nog, er was in het begin veel maatschappelijke weerstand tegen wielrijdsters.

Ook veel vrouwen zelf hadden aanvankelijk twijfels bij het fietsen. Ze waren bang dat te veel zon hun lichte huidskleur zou bederven, iets wat bij dames uit de gegoede stand uit den boze was. Mochten dames toch willen fietsen, dan adviseerde de ANWB hen zich in te smeren met glycerine en komkommersap, om bruin worden en zomersproeten te voorkomen.

 

Protestactie

Een kleine twee jaar na de oprichting van de ANWB, in 1883, fietste er voor het eerst een vrouw mee bij een bondsactiviteit, ze fietste op een driewieler. In 1893 richtten vrouwelijke fietsers in Den Haag de eerste damesfietsclub op, met de naam ‘Honni soit qui mal y pense’ (schande aan hem die er slecht van denkt). Het laat zich raden dat ze de naam kozen uit protest tegen reacties uit hun omgeving. Veel Nederlanders beschouwden fietsen als iets lichtzinnigs. Bij jonge mannen kon de samenleving dit nog accepteren. Maar bij vrouwen? Dat konden ze niet toestaan.

ANWB-broekrok

Het bestuur van de ANWB nam het op voor de sportzusters. In De Kampioen stonden tips voor vrouwen om zo min mogelijk weerstand op te roepen met hun fietsactiviteiten. Omdat geschikte sportkleding voor vrouwen moeilijk te krijgen was, gaf de ANWB zelf knippatronen uit. De bond lanceerde een ANWB-broekrok, zodat vrouwen fatsoenlijk gekleed én comfortabel konden fietsen. De ANWB raadde vrouwen met klem aan de contouren van hun lichaam te bedekken en die niet fietsend te tonen. Anders zou de weerstand tegen vrouwen op de fiets groot blijven. In 1894 waren zeventig vrouwen lid van de ANWB, in 1896 was dit aantal al gegroeid tot 992. In de jaren twintig van de twintigste eeuw zou het fietsen onder vrouwen gemeengoed worden.

Zie ook

Alles over de fiets