De geboorte van de fiets

De fiets zoals wij hem kennen, ontwikkelde zich stap voor stap. Rond 1885 verschenen de eerste veiligheidsfietsen op de Nederlandse wegen. Die zorgden ervoor dat Nederlanders massaal op de fiets zouden stappen.

De veiligheidsfiets had twee even grote wielen en een fietsketting die de trapkracht op de wielen overbracht. Niet langer stonden de trappers rechtstreeks op de assen zoals bij de hoge bi, de fiets met het grote voorwiel en het kleine achterwiel, waar de oprichters van de ANWB op fietsten. De veiligheidsfietsen waren door hun lagere zwaartepunt veel stabieler en daardoor veiliger. Door de kleinere wielen waren ze weliswaar langzamer, maar versnellingen verhielpen dat bezwaar.

 

Comfortabeler en veiliger

Aanvankelijk werden hoge bi’s, driewielers, vierwielers en veiligheidsfietsen naast elkaar gebruikt. Tijdens wedstrijden reden renners op verschillende fietstypen tegen elkaar. Rond 1890 spraken sommige coureurs in De Kampioen hun voorkeur uit voor hoge bi’s. Geleidelijk ruimden de hoge bi’s en de driewielers het veld voor de veiligheidsfiets. Die werd steeds comfortabeler dankzij betere vering en kogellagers. En ook steeds veiliger, met dank aan de terugtraprem en betere verlichting. Met de veiligheidsfiets werd in feite de huidige, moderne fiets geboren.

Steeds meer fietsen

De veiligheidsfiets maakte het fietsen voor meer mensen aantrekkelijk. Ook mannen boven de dertig en vrouwen begonnen massaal te fietsen. Dankzij massaproductie daalde de prijs van de Britse fietsen. Ook verschenen er meer goedkopere Duitse fietsen op de markt. Ook Nederlandse merken als Burgers, Fongers en Gazelle profiteerden van de toenemende vraag naar fietsen. Een steeds groter deel van de fietsen kwam uit Nederland. Tegelijkertijd stegen de lonen in Nederland, zodat steeds meer mensen een fiets konden aanschaffen. Na 1895 nam het aantal fietsen in Nederland spectaculair toe, in 1900 waren het er al ongeveer 100.000. Dertig procent van de fietsbezitters was op dat moment lid van de ANWB.

Schone kleren

Fabrikanten ontwierpen steeds meer fietsen die geschikt waren voor dagelijks gebruik. Fietsen van Nederlandse makelij kregen een recht stuur in plaats van een racestuur. Fabrikanten rustten hun fietsen bovendien uit met spatborden en kettingbeschermers. Zo hielden fietsers hun kleding schoon. Op zulke fietsen konden ze met goed fatsoen naar hun werk. Vanaf 1893 gebruikten ook steeds meer besteldiensten en bezorgers de fiets, een paar jaar later stapte ook de politie over.

Verloedering

Ook het racefietsen zat in de lift. De ANWB gaf steeds meer startbewijzen af die wielrenners nodig hadden om aan wedstrijden deel te nemen. Er was wel een eis: het mochten geen beroepsrenners zijn. Dat veranderde in 1896. Met het wielrennen kon steeds meer geld worden verdiend en noodgedwongen liet de ANWB ook professionals toe tot wedstrijden. Geen gelukkige beslissing, zo bleek al snel. Fietsfabrikanten stelden steeds meer geld beschikbaar voor renners en de schandalen rond wedstrijden stapelden zich op. Na een aantal ongelukken op de weg stopte de ANWB in 1897 met het organiseren van wegwedstrijden. Toen bookmakers zich met de sport gingen bemoeien, brak de vereniging ook met de baanwedstrijden. Het bestuur vond dat het wielrennen verloederde door de commercie.

Rustig en beschaafd

De ANWB richtte zich vanaf dat moment op het toerfietsen en het fietsen voor bedrijf of beroep. De bond propagandeerde rustig en beschaafd fietsen. Een gevolg was ook dat vanaf 1905 wegwedstrijden in Nederland verboden waren. De wegen waren sindsdien het terrein van rustige en oudere fietsers op hun zwarte heren- of damesrijwiel.

Zie ook: