De geschiedenis van kamperen

Er zullen weinig Nederlanders zijn die nooit in een tentje hebben geslapen of nooit een haring in de grond hebben geslagen. Nederland houdt van kamperen.

In Nederland werd gekampeerd vanaf 1910 en werd populair toen kampeerders legermateriaal uit de Eerste Wereldoorlog tot hun beschikking kregen. Je zou ook kunnen zeggen dat op vakantie gaan met een huifkar een soort voorloper van de caravan was. Midden jaren twintig kwamen de eerste kampeerterreinen op in Nederland. In 1941 bracht de ANWB de eerste Kampeer Kampioen uit. ‘De omstandigheden waren eigenlijk bepaald ongunstig in 1941 voor kamperen’, zegt Hans Buiter, verenigingshistoricus van de ANWB. ‘De Duitsers waren Nederland al binnengevallen, en ze hadden het kamperen verboden. Precies op dat moment kwam de ANWB met het tijdschrift. Dat was echter geen verzetsdaad, hoewel het zo kan lijken, het was gewoon al jaren voorbereid en ze wilden het plan graag doorzetten.’ Het doel van het tijdschrift was: kamperen populair maken. Er werd geschreven over kampeeruitrustingen, hoe je het gebruikt, over de terreinen. Buiter: ‘Bij die terreinen moet je je nog niet veel voorstellen hoor: simpele veldjes. Later kreeg je ‘kampeercentra’, daar zaten wat voorzieningen bij zoals een winkeltje. In deze periode startte de ANWB ook met de bekende campinginspecties.’

In 1854 schreef de Amerikaanse schrijver en filosoof Henry David Thoreau zijn beroemde boek Walden or, Life in the Woods, over zijn experiment een eenvoudig leven in het bos te leven, afgezonderd van de beschaafde, drukke samenleving. Weg van de industrialisatie, weg uit de stad en terug naar de natuur. Als we nu aan dat boek denken of erover schrijven is het verrassend actueel: nog steeds of opnieuw zoeken veel mensen naar rust, en naar natuur.

Buitenlucht

Het is om precies dezelfde reden dat kamperen opkwam in de late 19de eeuw: mensen uit de stad wilden weg van de drukte en de natuur verkennen. Het lijkt een stap terug in de beschaving: je woont in een stevig, stenen huis en dan ga je voor de lol, in je vrije tijd, primitief doen. Op de grond slapen, onder een winderig tentzeil. Juist dat was de aantrekkingskracht, voor Thoreau destijds en voor de kampeerders. ‘Juist mensen met de beste huisvesting wilden in de vakantie graag kamperen’, legt Buiter uit. ‘Het leven in de stad werd toen al als zenuwachtig modern beschouwd, in teksten lees je dat mensen spraken over ‘vermoeiende communicatiemiddelen’ en ‘veel herrie van machines’. Blijkbaar was de behoefte in 1940 niet heel anders dan nu. Nog steeds is dat één van de grootste drijfveren voor het kamperen: buitenlucht. En nog steeds zijn stedelingen de grootste kampeerfans, zij vinden het sensationeel om de hele tijd buiten te zijn.’

Naast het kamperen kwam ook de natuurbeweging op in Nederland in die tijd: mensen gingen wandelen. Jac. P. Thijsse schreef zijn boeken speciaal voor Amsterdamse jongeren om ze wegwijs te maken in de natuur, de padvinderij kwam op, net als de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.

Op het plattenland ontstond destijds weerstand tegen die stadse mensen. Hans Buiter: ‘Met name in het katholieke zuiden hadden gezagsdragers een hekel aan kampeerders, bijvoorbeeld vanwege de angst dat ongetrouwde jongens en meisjes samen in een tent zouden gaan slapen. Het onderscheid tussen het platteland en de stad was ook veel groter dan nu.’

En dus ging de ANWB, die kamperen juist graag wilde bevorderen, voor het kamperen lobbyen bij gemeentebesturen. Met enig gevoel voor ironie noemde zij het kamperen ‘zigeunertoerisme’. De ANWB gaf kampeerboekjes uit, en stelde regels op waar een fatsoenlijke kampeerder zich aan diende te houden. Buiter: ‘De bond startte oefenkampen: daar leerden kampeerders hoe je zo’n zware, canvas tent opzet, hoe je met houten haringen werkt. Om de dag moest het grondzeil worden omgeslagen om het gras heel te laten – iets wat nu niemand meer doet. Geen rotzooi achterlaten, vriendelijk blijven tegen mede-kampeerders, elkaar helpen, zorgen dat je netjes gekleed gaat. Na een cursus van twee weken, waarvan de tweede week bestond uit een hike met een rugzak op, kregen deelnemers een kampeerpaspoort. Het was een slim systeem, het leeuwendeel van de mensen deed mee.’

Tijdens de wederopbouw

In 1944 kwam het kamperen tot stilstand door de oorlog, maar lang duurde dat niet. Om al tijdens de Tweede Wereldoorlog zo in te zetten op het bevorderen van kamperen, was een slimme zet van de ANWB, volgens Hans Buiter: ‘Toen in 1946 de schade werd opgenomen en de wederopbouw werd gepland, stonden kampeerterreinen meteen op de agenda. De ANWB is door de jaren heen consequent blijven pleiten voor meer kampeerterreinen, goede voorzieningen en goed toezicht.’

Zo was het kamperen in de jaren vijftig al de meest populaire vorm van vakantie, en dat is het nog steeds. De uitrusting veranderde in die jaren wel: tenten werden lichter, en allerlei Nederlandse producenten gingen nieuwe typen tenten maken. Campers en caravans kwamen erbij. En uitvindingen zoals het butagas en luchtbedden maakten het kamperen comfortabeler. De reden dat het kamperen zo populair werd en is gebleven in ons land is tweeledig: het was de goedkoopste manier van vakantie vieren en dat sloot goed aan bij Nederlandse zuinigheid, hiernaast bleef het verlangen naar de natuur een grote rol spelen.

De sterren goedenacht wensen

Sindsdien hebben de ontwikkelingen in kampeeruitrusting en -voorzieningen niet stilgestaan. Tenten zijn doorontwikkeld, er kwamen koepeltenten, wegwerptentjes, tentjes die je voor een paar tientjes koopt. Daarnaast kwamen de bungalowtenten op de markt en werden steeds beter – denk aan de beroemde De Waard tenten sinds 1970, die stormen op de Waddeneilanden overleven. Buiter: ‘Kamperen is nog steeds de populairste vakantievorm, maar mensen willen wel steeds meer luxe en comfort. Campings spelen hier slim op in met kant-en-klare safaritenten, luxe stacaravans en natuurlijk wifi.’ Maar de behoefte om op primitieve manier te ontsnappen aan de stad zal niet verdwijnen, gelooft hij: mensen blijven op zoek naar de natuur, en naar de beleving ervan. Op je hurken in het gras zitten, of op een klein stoeltje, zelf je vuurtje maken of de BBQ aansteken, je handdoek drogen in de zon. En ’s avonds de sterren goedenacht wensen. Wie wil dat niet?

Sinds 1941: de Kampeer & Caravan Kampioen

Joop Karsemeijer was van 1960 tot 1987 hoofdredacteur van de Kampeer & Caravan Kampioen. Hij vertelt: ‘Toen ik daar kwam, was kamperen iets voor sportieve mensen met kleine tenten, achterop de fiets of in een rugzak. In de jaren zeventig kwamen caravans op, en een nieuw soort tent: de bungalowtent. Die bungalowtenten werden zo populair dat het kamperen toenam, en de oplage van het blad groeide mee. We begonnen ook met speciale kampeerreizen: reizen naar gebieden waarvan mensen het toen nog spannend vonden om af te reizen. In de jaren zeventig was het al avontuurlijk als je diep Frankrijk in trok. Onder begeleiding van een reisleider en een wegenwacht maakten we tochten van twee of drie weken, ook naar Hongarije, Polen, Joegoslavië en Griekenland. Die reizen waren bijzonder populair.’

Wist je dat...

  • In 1920 telde Nederland 20.000 kampeerders, nu zijn er zo’n 3,3 miljoen Nederlanders die kamperen