Rapunzels bij de Drentsche Aa

Nederland, Drenthe, Oudemolen

De Drentsche Aa heeft de status van Nationaal Landschap én Nationaal Park. Dit water wordt omschreven als een zilveren lint, met verrassende doorkijkjes, akkers, hooilanden, bossen, heidevelden, stuifzanden en vennen. Toch is de Drentsche Aa geen rivier, maar een stelsel van beken, ook wel diepen genoemd. Eén ervan is het Oudemolensche Diep. Op zijn allermooist is dit Diep in het voorjaar als de hooilanden langs de oevers heftig in bloei staan.

De route is bewegwijzerd. Volg de lichtblauwepaaltjesroute Oudemolensche Diep (het schuine vlak wijst de richting aan).


Aanvullende routebeschrijving:
Na eerste oversteek Oudemolensche Diep ra, pad dicht langs beek volgen.

Let op: Langs de beek kan het nat zijn , draag stevige waterdichte wandelschoenen!

 

Het duurt even voordat het Oudemolensche Diep zich laat zien. Pas na Molen de Zwaluw en wat bochtenwerk om bosjes en weilanden heen duikt de glinsterende stroom op – en inderdaad, die is net zilver. In grote meanders slingert het Diep zich door de hooilanden die door het ontelbare aantal voorjaarsbloemen geel, roze en paars gekleurd zijn. Er staan koekoeksbloem, zegge, rus, ratelaar, orchis en rapunzel, maar het opvallendst in april is de pinksterbloem, die een zee van lila en paars vormt. De plant kan goed leven in nattigheid. De deelblaadjes hebben korte steeltjes die wortels vormen terwijl ze nog aan de plant zitten. Als de blaadjes van de plant vallen, kunnen die wortels meteen uitgroeien tot nieuwe planten.


Zwartblauwe rapunzel
Een inktkleurige, soms blauwmetalig glanzende en vrij flossige, wat los in elkaar zittende bloem – dat is een mooie omschrijving van de rapunzel. De plant bloeit maar kort, tussen half mei en half juni, en wordt ongeveer kniehoog. Hij houdt van een voedselarme bodem, waar helder kwelwater opborrelt en dat is precies het geval in het beekdal van de Drentsche Aa en dan vooral bij het Oudemolensche en Taarlosche Diep. Bijzonder is dat de plant hier in het open grasland staat, terwijl hij over de grens naar het zuiden vooral in vochtige loofbossen groeit.

Wie veel geduld heeft kan vanaf het bruggetje over het Oudemolensche Diep misschien een glimp opvangen van de prikvis. Dit bijzondere visje wordt in de beek geboren en leeft de eerste vier jaar als blinde larve in de modderige bodem. Daarna krijgt hij ogen en trekt naar de kust. Daar zoekt hij een lekkere dikke vis uit – een makreel, kabeljauw, haring of wijting – waar hij zich met zijn zuigmond aan vastzuigt en er via een wondje bloed aan onttrekt. Na drie jaar keert hij terug naar de Drentsche Aa om te paaien, daarna is het tijd om te sterven.

De grauwe klauwier ziet eruit als een piraatje, met een zwart masker voor z’n ogen. Het mannetje heeft een grijze kop en een roodbruine rug waardoor hij goed te herkennen is. Hij is uitgerust met een kromme roofvogelsnavel maar is zo groot als een zangvogeltje. De klauwier jaagt vanaf een hoge uitkijkpost, meestal rechtop zittend in de top van een struik, maar soms ook biddend in de lucht. Hij is gek op grote insecten zoals kevers, sprinkhanen en libellen, maar ook vangt hij hagedissen, muizen of zelfs een ander zangvogeltje. Zijn prooi prikt hij op doornen van struiken en prikkeldraad onder het motto: wie wat bewaart die heeft wat. In het voorjaar keert hij terug van zijn overwintering in Zuid-Afrika.

Ten zuiden van de Oudemolenseweg vervolgt het pad het Oudemolensche Diep, stroomopwaarts naar de plek waar het Taarloosche Diep en het Gasterensche Diep samenkomen. Vanuit het bos hebt u een fraai uitzicht over de hooilanden langs die beken. In mei en juni ziet het hier paars van de bloeiende orchideeën, onder andere van de brede orchis. Die heeft grondwater nodig waar veel mineralen in zitten, zoals ijzer. De bloemen zijn dieppaars, soms roze en worden door de Friezen Frouljustriennen genoemd omdat ze op vrouwentranen lijken.

Opnieuw kruist het pad het Oudemolensche Diep. Dit is een mooie plek om waterjuffers te spotten. Van eind mei tot augustus dansen hier weidebeekjuffers boven het kraakheldere water. Vooral de diepblauw gekleurde mannetjes vallen op. Ze wapperen vlak boven de beek heen-en-weer om indruk te maken op de vrouwtjes. In een goed bewaakt territorium zet het vrouwtje haar eieren af. Het insect leeft eerst als larve onder water. Daarna komt het naar boven en verandert in zo’n fraai uitgedoste waterjuffer. Jonge juffers moeten nog bijkleuren, pas daarna verschijnen de donkerblauw gekleurde banden op de vier vleugels.

Weer in de buurt van het startpunt kunt u op het gangenstelsel van een
mol stuiten. Mollen leven ondergronds en houden van larven, insecten en op z’n tijd een jong muisje. Ze graven oppervlakkige jachtgangen (mollenritten) en diepe gangen (waarbij de molshopen ontstaan) in een tempo van soms 15 m per uur. Hun graafgebied bedraagt ’s winters zo’n vijftig meter in het rond, maar in het voorjaar kan dat bij hitsige mannetjes oplopen tot 150 m. Zodra de jongen volwassen zijn, worden ze uit het ouderlijke gangenstelsel gezet. In de zomer graven ze een gang naar de buitenwereld waar ze op zoek moeten naar een ander territorium. Mollen leven gemiddeld drie tot vijf jaar.