De Wegenwacht

Wie ANWB zegt, zegt Wegenwacht. De gele hulpdienst-bij-pech-onderweg is een begrip op Nederlandse wegen, én daarbuiten. 

De Wegenwacht startte op 15 april 1946 met zeven geel geverfde motoren. Het idee voor een wegenwacht kwam uit Groot-Brittannië, waar de Automobile Association (AA) al in de jaren tien van de twintigste eeuw met motorfietsen pechhulp bood aan automobilisten en motorrijders. 
Aanvankelijk reden de Wegenwachten vaste routes, op zoek naar weggebruikers met pech. Geleidelijk breidde de ANWB de Wegenwachtroutes uit: eerst in het westen van het land, vervolgens ook in de rest van Nederland. De Wegenwacht vroeg weggebruikers die werden geholpen om voor tien gulden per jaar lid te worden. Aanvankelijk was een lidmaatschap niet verplicht. Toch stroomden leden massaal toe. In 1950 had de ANWB al 92.000 Wegenwachtleden. Pas in 1952 werd een lidmaatschap van de Wegenwacht verplicht voor mensen die hulp wilden bij pech onderweg. In de jaren erna maakte de ANWB het net van de Wegenwacht steeds fijnmaziger, door telkens nieuwe routes te openen.

 

Praatpalen

Een grote stap voorwaarts was de invoering van de zondagsdienst, begin jaren vijftig. Daarnaast kwamen er steeds mee mogelijkheden bij om de Wegenwacht op te roepen: er kwamen telefoonschilden bij horecagelegenheden en bij leden thuis. De plaatsing van telefoonpalen op de Afsluitdijk in 1955 was de opmaat naar de praatpalen die de ANWB in 1960 langs Rijksweg 13 zette. De wachttijden werden hierdoor een stuk korter. 

Hulp in de bebouwde kom

Tot in de jaren zestig bleef hulpverlening in de bebouwde kom een missende schakel. Op verzoek van het ministerie had de ANWB die hulpverlening aanvankelijk aan de garages gelaten, ook wanneer leden of gemeenten om een grotere rol van de Wegenwacht vroegen. De VVV in Amsterdam was vasthoudend en verzocht vanaf 1955 de ANWB herhaaldelijk om gestrande toeristen te helpen. De ANWB stond in het begin niet te springen: de bond wilde garagebedrijven in de hoofdstad niet in weg zitten. Toen de gemeente Amsterdam druk zette, ging de ANWB toch overstag. In 1964 startte het met een ‘stadsdienst’ voor Amsterdam. De ANWB verzorgde noodhulp en sleepdiensten. Ook kwam er een 24 uursdienst met een centrale post en enkele Wegenwachten met mobilofooninstallaties in hun auto’s. De garages zouden meer fundamentele hulp bieden. Deze stadsdienst was de opmaat naar stadsdiensten in andere plaatsen. Als tweede was Den Haag aan de beurt. 

Stormachtige groei

De stapsgewijze uitbouw van de Wegenwacht ging gepaard met een stormachtige groei van het aantal Wegenwachtleden. Ondanks deze toename was de service in de jaren vijftig verliesgevend, maar het ANWB-bestuur was niet direct ongerust. Het verwachtte dat de dienst door het groeiende gebruik op den duur kostendekkend zou zijn. Het bestuur investeerde zelfs in de Wegenwacht omdat het verwachtte dat de vereniging op deze manier meer leden zou trekken. Die verwachting bleek uit te komen. In de jaren tachtig had de Wegenwacht al meer dan twee miljoen leden. Tegenwoordig maken vierenhalf miljoen ANWB-leden gebruik van de Wegenwacht-service.

Goede herinneringen

De Wegenwacht bestaat inmiddels 75 jaar en is niet meer weg te denken uit het Nederlandse straatbeeld. De Wegenwachtmotoren en de praatpalen behoren weliswaar tot het verleden, de gele Wegenwachtauto’s zijn in het oog springende verschijningen. Hun service biedt velen zekerheid. Veel weggebruikers zijn zo tevreden over de geboden service dat ze goede herinneringen aan de pech overhouden. 

Meer over 75 jaar Wegenwacht