Een automaat kiest zelf de juiste versnelling. Maar als je merkt dat de auto steeds tussen twee versnellingen heen en weer schakelt, is het goed om even in te grijpen. Kies dan handmatig voor een (lagere) versnelling, zo voorkom je dat de temperatuur van de olie stijgt. Ook draait de waterpomp er harder door, ook dat zorgt voor verkoeling.
De juiste (lagere) versnelling is belangrijk bij het afdalen. Zo helpt de motor mee bij het afremmen en hoef je niet constant het rempedaal in te trappen. Kies in principe voor dezelfde stand als waarin je omhoog bent gereden. In praktijk gebruik je stand D1, D2 of L1 en L2 van een automaat alleen maar in de bergen. In alle andere situaties volstaat stand D(rive).
Veel automaten hebben een sportstand waarbij de versnellingsbak later opschakelt en eerder terugschakelt.