Grave en Ravenstein

Nederland, Noord-Brabant, Ravenstein

02
18
41
01
43
35
34
14
44
15
16
17
60
25
26
27
30
28
05
80
04
03
20
19
02

In Noordoost-Brabant slingert de Maas langs drie vestingstadjes: Grave, Ravenstein en Megen. Klinkerstraatjes hebben ze allemaal, maar verder valt vooral op hoe anders ze zijn. En de vele katholieke kerken en kloosters? Een deel van het gebied viel lange tijd onder Duitse vorstendommen waar godsdienst­vrijheid heerste. Daarom zochten katholieke geestelijken hier hun toevlucht.

Fietsen langs de Zuiderwaterlinie

In 1568 kwamen de Nederlandse gewesten in opstand tegen de landsheer, de Spaanse koning Filips II. Al snel werd duidelijk dat stadsmuren niet genoeg waren om de Spanjaarden tegen te houden. Dus werd er een nieuw verdedigingsmiddel ingezet: water! Door het inunderen - onder water zetten - van een strook land kon een leger niet verder oprukken. In 1648 vertrokken de Spanjaarden, maar de dreiging uit het zuiden bleef. Daarom ontwierp Menno van Coehoorn in de 17e eeuw een ingenieuze keten van waterlinies. Het Brabantse deel noemen we nu de Zuiderwaterlinie. Kijk voor nog veel meer informatie over de Zuiderwaterlinie op Zuiderwaterlinie.nl.

Start in Ravenstein aan de Maasdijk, ter hoogte van de Walstraat en parkeerplaats ‘Bleek’. Ga vanaf de Bleek rechtsaf (Walstraat) en op de dijk linksaf, richting knooppunt 18 ( hou de Maas aan je rechterhand). Volg de knooppunten 41-01-43-35-34-14-44-15-16-17-60-25-26-27-30-28-05-80-04-03-20-19-02 en 18.

Routeverkorting
Je kunt de route opdelen in lussen van 35 km (noord) en 37,5 km (zuid). Fiets dan tussen Schaijk en Ravenstein van knooppunt 60 naar 59, 61 en 18.

Rechts stroomt de Maas, links komt Ravenstein in beeld. Een rondeel, een halfronde massieve muur, bewaakt het rivierfront van het vestingstadje. In 1997 zijn twee van zulke rondelen in de dijk gevonden en daarna gedeeltelijk hersteld. Ze verwijzen naar de lange geschiedenis van Ravenstein. Die begon toen Walraven van Valkenburg in 1360 aan de Maas een kasteel liet bouwen. Hiervandaan wilde hij tol heffen op de rivier – in de middeleeuwen een zeer lucratieve bezigheid. Het bijbehorende stadje kreeg al snel muren en later bastions en wallen. Bijzonder is dat het Land van Ravenstein tot aan de komst van de Fransen in 1794 in handen was van Duitse vorsteldommen Kleef en Gulik-Berg, met hun eigen wetten en regels. Holland en Brabant hadden hier dus niets te vertellen. Pas in 1814 werd het gebied officieel onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Even voorbij het rondeel kun je links via de Maaspoort (1521-1522) het stadje in. Het plaatje is prachtig: kinderkopjes, eeuwenoude gevels, een stadspomp, een gerenoveerd weeshuis, een stellingmolen en in het midden daarvan een klein, maar zeer sfeervol stadspleintje. De Sint-Luciakerk achter het plein werd in 1735 gebouwd en kreeg een uitbundig interieur in Duitse barokstijl. Na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), ook bekend als de Opstand, werd Nederland officieel protestant, maar dat gold niet voor het zelfstandige Land van Ravenstein. Hier mochten katholieken gewoon in het openbaar hun geloof belijden. Wel moest Ravenstein toestaan dat er vanaf 1621 een Staats garnizoen in het stadje was gelegerd. Speciaal voor deze protestantse soldaten werd in 1641 de Garnizoenskerk gebouwd. Je komt er door aan de linkerkant van het plein de smalle Servetstraat te volgen.

Terug op de Maasdijk kun je bij knooppunt 18 nogmaals het stadje in via de Van Coothweg. Links ligt het terrein van het in 1816 gesloopte kasteel. Alleen de rond 1360 gebouwde Kasteelsepoort is nog te zien aan de Kasteelseplaats; later is er een woonhuis over de poort gebouwd. Fiets dan door tot het einde van de Van Coothweg. Hier vond professor Van Mourik in zijn achtertuin resten van muren en een oude gang. Eerst dachten deskundigen dat het ging om een bastion uit 1621 – niet bijzonder genoeg om extra onderzoek te doen. Maar de professor was vasthoudend en ontdekte dat onder dat bastion een nog ouder bolwerk uit 1509 schuilging, compleet met geschutskelders, stenen ruimten en twee kazematten. Van Mourik noemde de vondst naar de landheer uit die periode: het Philips van Kleefbolwerck. Een van de geschutskelders is te zien vanaf het wandelpad. Een informatiebord illustreert hoe de vorm van het bolwerk destijds was.

In 1386 werd Megen versterkt met muren, torens en vier stadspoorten. Daarvan is alleen de Gevangentoren overgebleven. Samen met een toren aan de andere kant van de weg vormde deze toren de Gevangenpoort. Hier wachtten gevangenen op hun veroordeling of zelfs op hun executie door middel van ‘het Sweert’ of ‘het Koord’. Voor kleinere vergrijpen lagen duimschroeven en een geselpaal klaar. De inwoners van Megen bewaakten de gevangenen en zorgden ervoor dat ze niet verhongerden – tegen betaling uiteraard. Als je in de gevangenis zat, sprak men in Megen over ‘op de poort zitten’. Dat verklaart de naam van het restaurant direct achter de toren, dat binnen op toepasselijke wijze is gedecoreerd. Binnen is de cel een herinnering aan Reinier Biedijckx die het langst op de poort zat: van 1788 tot 1794. Het tafereeltje onder de glasplaat verwijst naar de beruchte Bende van Oss, waarvan verschillende leden begin vorige eeuw in de toren werden vastgehouden.

Achter de poort wacht een bijna dorps vestingstadje: sereen, sober, stil. Megen was lange tijd een zelfstandig graafschap. De bekendste graaf, Karel van Brimeu (1547-1572), kreeg een eigen standbeeld op het pleintje bij het voormalige stadhuis. Na de Tachtigjarge Oorlog bleef Megen, net als Ravenstein, onafhankelijk en kon zo uitgroeien tot een katholieke enclave. Geestelijken die elders uit Brabant werden verdreven, zochten hun toevlucht in Megen en stichtten hier twee kloosters. In de Kloosterstraat (voorbij de toren rechtsaf) staat het Franciscanenklooster, met daarbij een fraaie kerk en een ommuurde tuin. De deur naast de kloosterkerk leidt naar de kapel van broeder Everardus, ook bekend als het ‘heilig bruurke’. Na zijn dood in 1950 bleven zoveel mensen hem om hulp en advies vragen, dat hij een eigen grafkapel kreeg. De mouwen van Everardus zijn wijd genoeg om een verzoekbriefje in te stoppen.

Voorbij Megen verandert het decor. Vanaf nu geen slingerende rivierdijken meer, maar een vlak en leeg landschap. Je fietst door een oude rivieram van de Maas, die lange tijd bekendstond als de Beerse Overlaat. Als in de winter het rivierwater gevaarlijk hoog stond, liet men het water vanaf Beers (ten zuidoosten van Grave) over de dijk stromen. Zo ontstond een nieuwe, tijdelijke rivier die helemaal tot aan ’s-Hertogenbosch reikte. ‘De Maas is om’, zei men dan. Boeren werden gewaarschuwd door het afschieten van kanonnen bij Grave, zodat ze nog snel hun vee konden verplaatsen. Omdat het water vrij moest kunnen stromen, werden obstakels zoveel mogelijk verwijderd. Dorpjes beschermden zich vaak met ringdijken, maar lagen wel wekenlang geïsoleerd. Ook bij oorlogsdreiging kon de Beerse Overlaat worden geïnundeerd. Zonder veel extra investeringen ontstond zo een robuuste waterlinie. In 1922 werd besloten dat de landsverdediging zich zou gaan richten op de Vesting Holland en dat de Beerse Overlaat uit militair oogpunt niet meer nodig was. Toch duurde het nog tot 1942 voordat de Beerse Overlaat definitief werd gesloten.

Op de gevel van het ontmoetingscentrum het Wapen van Reek vind je rechts het gemeentewapen. De letters RRR staan voor Reek Religione Regi, Reek voor godsdienst en vorst. Het verwijst naar 1814, toen vestingstad Grave in Franse handen was en Franse troepen regelmatig plundertochten in de omgeving hielden. Om zich te verdedigen mobiliseerde Reek 500 man voor een landstorm. Deze heldhaftige burgerwachten wisten, samen met het nationale leger, verdere Franse uitvallen te stoppen.

Ten zuiden van Reek kun je bij knooppunt 28 even rechtsaf richting 37. Na 700 meter kom je bij een witte molen. Tot 1831 stond hier een houten standerdmolen, eigendom van de Heren van Ravenstein. Op 9 augustus 1639 sloeg Frederik Hendrik hier zijn tenten op toen hij met een leger onderweg was naar Duitsland. Kaartenmaker Balthasar Floriszoon van Berkenrode was mee op veldtocht en maakte een overzichtskaartje van het kampement van Frederik Hendrik. Zijn schetsboek werd pas in 1971 ontdekt en ligt nu in het British Museum in London. Daardoor weten we dat de tenten van Frederik Hendrik en zijn gevolg aan de oostkant van de molen stonden. De artillerie was gelegerd op de Reekse Heide.

Ook uit de tijd van keizer Napoleon (1806-1813) zijn sporen in het landschap achtergebleven. Bij de Mineursberg oefenden de mineurs, specialisten in het gebruik van explosieven en het graven van ondergrondse gangen. Al in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) waren de mineurs zeer belangrijk bij belegeringen. Ze groeven gangen naar de verdedigingswerken en bliezen deze op. Een deel van de oefenberg van de mineurs is nog altijd te zien. Je komt er door bij knooppunt 28 rechtdoor de Corridorweg te volgen en vanaf de eerste parkeerplaats rechts het bos in te gaan. Oplettende wandelaars ontdekken hier bovendien oude verdedigingswallen. Ze dateren van het beleg van Grave (1674), toen Staatse troepen van Willem III probeerden de vestingstad Grave te heroveren op de Fransen. Vier maanden lang bestookten de belegeraars de stad.

Velp behoorde tot 1794 bij het Land van Ravenstein. Dat betekende dat ook hier godsdienstvrijheid heerste. Veel katholieken uit Grave, dat in 1601 in Staatse – en dus protestantse – ­handen was gevallen, gingen hier in de Sint-Vincentuskerk naar de mis. Nu wordt dit sfeervolle kerkje gebruikt als expositieruimte voor kunst. Borden kondigen aan wat er binnen te zien is. Vlak achter het kerkje gaat links een weg naar het kapucijnenklooster Emmaüs. Na de val van ’s-Hertogenbosch in 1629 vestigden de kapucijnen zich in 1645 in dit klooster. Het massieve gebouw rechts achter het kerkje staat bekend als het Kasteelklooster: ooit een kasteel, van 1860 tot 1990 thuis van de ‘rooi nonnekens’.

Van de stadspoorten van Grave is alleen de Hampoort overgebleven. Je moet er even voor omrijden: ga aan het begin van het oude centrum rechtdoor de Klinkerstraat in en sla verderop rechts de Hamstraat in. Aan het einde doemt dan de opmerkelijk grote en statige poort op. Hij dateert van 1688, toen de stad nieuwe vestingwerken kreeg. In de poortruimtes was genoeg plaats voor twee bataljons voetvolk. De vleugels van de poort bieden nu onderdak aan het Graafs Museum (wo.-zo. 13-17 uur): archeologische vondsten, tekeningen en andere schatten vertellen er de geschiedenis van Grave.

De vestingstad Grave is talrijke keren belegerd. En verwoest. In de middel­eeuwen waren het de hertogen van Brabant en Gelre die vochten om het stadje, later waren het Spaanse, Franse en Staatse troepen. Soms waren er vijf keer zoveel soldaten als inwoners. Maar telkens weer wist Grave op te krabbelen, waardoor het historische centrum er nog altijd prachtig bijligt. Let op het strafpaard voor de kerk: soldaten die wat mispeuterd hadden, moesten enige tijd op de scherpe rand van het paard zitten, soms met zandzakjes aan hun voeten.

Aan de rivierzijde herinneren stadsmuren, kanonnen en de herbouwde Maaspoort aan de vestingwerken. Na elk beleg werd de stadsverdediging weer versterkt. Eind 17e eeuw was het Menno van Coehoorn die een nieuw ontwerp voor de vestingwerken maakte. Daarbij hoorde ook het Kroonwerk Coehoorn aan de andere kant van de rivier: een zigzaggende aarden wal, met aan de buitenkant een gracht. Een pontonbrug verbond de stad met het kroonwerk. Veel is er niet van over: struiken markeren de contouren van het vestingwerk.

Menno van Coehoorn
Menno baron van Coehoorn (1641-1704) begon zijn militaire loopbaan bij de infanterie. Daarna ontwikkelde hij zich tot militair strateeg en vestingbouwer. Zo moderniseerde en versterkte hij verschillende vestingsteden in Nederland, waaronder Bergen op Zoom, Breda en Grave. Eind 17e eeuw kreeg hij de opdracht een innovatieve en goedkope verdedigingsstrategie voor de zuidflank van Holland te ontwerpen. Dat werd de Zuiderwaterlinie: een aaneengesloten linie van vestingsteden, met daartussen forten en laaggelegen gebieden die bij oorlogsdreiging snel onder water konden worden gezet. Van Coehoorn stierf in 1704, maar zijn idee hield stand tot diep in de 19e eeuw.