Onderhoud: fietsversnelling afstellen

Vroeg of laat krijgt iedere fietser er mee te maken: een probleem met schakelen. Zo kan de versnelling ineens verspringen zonder dat je de schakelaar gebruikt of openbaart zich ineens een ratelend geluid. Dan is het versnellingsapparaat meestal niet goed afgesteld of is er slijtage of een technisch defect. In een aantal gevallen kun je het euvel zelf verhelpen.

Indien de afstelling goed is en de ketting bij krachtzetten doorschiet over het tandwiel dan moet deze vervangen worden. Let op dat gelijktijdig ook de ketting moet worden vernieuwd. Voor beide reparaties heb je speciaal gereedschap nodig. Deze klus kun je dan ook beter uitbesteden aan een fietsspecialist.  

Versnellingskabel
Door intensief gebruik kan de versnellingskabel (tussen de stuurschakelaar en de derailleur of versnellingsnaaf) wat opgerekt zijn, waardoor hij niet meer zo nauwkeurig functioneert. De kabel moet dan strakker worden aangespannen. De meeste schakelsystemen hebben hiervoor een eenvoudige afstelmogelijkheid waarmee je de kabel iets strakker (of iets losser) kunt zetten.  

Afstellen van de versnellingsnaaf
Bij een versnellingsnaaf geeft de stand van het kettinkje in de naaf, streepjes of een merktekentje de juiste afstelling aan. Doorgaans moet dan eerst één van de versnellingen worden ingeschakeld. In de instructiepapieren staat welke versnelling en waar je de streepjes of het merkteken kunt vinden en wat de juiste stand dan is. Veruit de meeste fietsen met naafversnelling zijn uitgerust met een Shimano Nexus 7 of 8.

Afstellen Shimano Nexus 7 en 8 versnellingsnaaf
Zet de versnellingshendel in de vierde versnelling, op de versnellingshendel is de vier vaak aangegeven met een markering of is deze in het rood uitgevoerd (afhankelijk van het type versnellingshendel). Ga achter de fiets staan en druk de kettingkast iets naar binnen of verwijder het kapje, de twee rode merktekens op de schakelunit worden dan zichtbaar. Staan deze niet in een rechte lijn dan kun je ze afstellen door de stelschroef op de versnellingshendel te gebruiken.

Afstellen van de derailleurversnelling
De achterderailleur moet zodanig zijn afgesteld dat bij het schakelen naar het grootste en naar het kleinste tandwiel de ketting er niet afloopt. Met de twee stelschroeven op de derailleur kan de begrenzing worden ingesteld. Deze kun je betrekkelijk eenvoudig afstellen door de fiets op te hangen. Draai de trappers rond en schakel naar het kleinste tandwiel achter, de ketting op het buitenste tandwieltje. De kettinggeleidewieltjes van de achterderailleur moeten nu exact in lijn liggen met het kleinste tandwiel. Met behulp van de binnenste stelschroef (soms aangeduid met L) kan de derailleur in de juiste positie worden afgesteld. Nu de ketting schakelen naar het grootste tandwiel achter (voor de ketting op het binnenste tandwiel) De kettinggeleidewieltjes van de achterderailleur moeten nu exact in lijn liggen met het grootste tandwiel achter. Met behulp van de buitenste stelschroef  (soms aangeduid met H) kan de derailleur in de juiste positie worden afgesteld. Tenslotte de ketting vóór op het grote buitenste tandwiel schakelen en achter in het midden op de 4e of 5e versnelling. De ketting mag bij het ronddraaien niet ratelen. Door de kabelversteller aan de achterderailleur telkens een kwartslag te draaien, kan de juiste stand worden ingesteld waarbij de ketting precies in het midden licht en zonder ratelen over het tandwiel draait.

De voorderailleur stel je af als deze ingeschakeld is op het middenblad, zet hem daarvoor in stand 2. Schakel dan de achterste versnelling zodanig dat hij op het middelste tandkransje komt te liggen. Draai nu de kabelversteller aan de linker stuurschakelaar tot de ketting exact midden in de schakelkooi loopt. Probeer daarna de versnelling nog uit door naar het kleine tandwiel en het grootste tandwiel te schakelen. De ketting mag dan niet tegen de kooi aanlopen anders moet door met de kabelverstelling de juiste stand worden gezocht.

Speciaal voor jou geselecteerd