Monumentenroute Vlissingen

Nederland, Zeeland, Vlissingen

In de straten, kades, dokken en havens van Vlissingen proef je de rijke maritieme historie. In de 17de eeuw was dit een belangrijke havenstad voor VOC-schepen die terug kwamen uit Azië met ruimen vol specerijen, grondstoffen, zijde en porselein. De rijkdom en voorspoed die de handel bracht, druipt hier van de gevels. Met recht een rijke wandeling!

Tip: Wandel deze route via de gratis ANWB Eropuit app. Zoek de route in de app via de filters. Onderweg zie je op het kaartje waar je bent, zo kun je niet verdwalen.

Hond mee: op deze route zijn honden aangelijnd toegestaan.

Toegankelijkheid: deze route si toegankelijk voor mindervaliden (hier en daar wel ongelijke stoepen en een lastiger begaanbare weg).

Paden: verhard (asfalt, tegels).

  1. De wandeling door Vlissingen start bij het Zeeuws maritiem muZEEum (Nieuwendijk 11, de haven tegenover dit pand heet de Engels of Vissershaven). Loop richting de Zeilmarkt en Gravenstraat (verlengde Nieuwendijk) langs moderne woningen (vroeger lag hier de Pottehaven). Sla in de Gravenstraat de eerste straat linksaf, de Hendrikstraat in tot nr. 25 (Beeldenhuis Mauritzhuis). Loop de Hendrikstraat uit in de richting van de Stenen Beer. Ga aan het eind van de Hendrikstraat naar links en gelijk naar rechts de Dok van Perry in. Je houdt het droogdok aan de rechterhand).
  2. Ga links de Peperdijk op en de eerste straat weer naar links, de Wagenaarstraat. Ga de eerste straat links (Kleine Kerkstraat) en de eerstvolgende straat rechts het Groenewoud in. Ga bij het Plein Vierwinden linksaf de Dortmanstraat in en aan het eind van de straat rechtsaf de Nieuwstraat in (Woonhuis Michiel de Ruyter). Ga direct na de grote kastanjeboom rechts de Provooststraat in en aan het eind van de straat rechtsaf. Ga na enkele meters linksaf de Schuitvlotstraat in waar de Sint Jacobskerk in zicht komt. Loop via de Kerkstraat naar het Bellamypark. Steek het park over en ga linksaf langs de gevels van de voormalige haven, met onder meer de Reptielenzoo. Ga rechtsaf de Hellebardierstraat in (Groot Heerenlogement).
  3. Loop terug naar het Bellamypark en ga direct naar rechts, waar zich tot het eind van de achttiende eeuw op nr. 3 de woning van de familie Lambrechtsen bevond (Edenburg). Loop door langs Edenburg naar de Beursstraat. Loop door naar het Keizersbolwerk. Loop terug langs de voormalige vissershaven, nu jachthaven, naar het beginpunt van de wandeling.

 

Dat het eiland Walcheren in de zeventiende en achttiende eeuw een grote economische bloei doormaakte kun je nog goed zien in de steden Middelburg en Vlissingen. De ligging te aan diep vaarwater, de Westerscheld, was in een tijd waarin schepen het belangrijkste vervoermiddel was cruciaal. Bovendien beschikte Walcheren over goede havens, vanwaar goederen uit de Oostzee overgeslagen werd op transport naar de Middellandse zee en vice versa.  Daarnaast werd er ook gezeild op Azië, een lucratieve maar riskante business. De kans dat een schip niet terugkeerde, was niet denkbeeldig. Om het risico te spreiden werden door kooplieden gezamenlijk of meer schepen uitgereed. Verging een schip, dan was men maar gedeeltelijk aansprakelijk en was de kans op een faillissement kleiner. Deze kooplieden organiseerden zich in “compagnieën”.

In 1602 werd voor de handel met Azië de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC, opgericht. In deze eerste multinational namen de Zeeuwse steden, Vlissingen, Middelburg en Veere gezamenlijk voor een kwart deel. De andere deelnemers waren Amsterdam, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Naast specerijen en andere grondstoffen werden in de loop van de eeuwen steeds meer afgewerkte producten als zijden stoffen en porselein naar de Nederlanden vervoerd. Hierdoor ontstond behoefte aan grotere schepen. De Zeeuwse steden als Vlissingen en Middelburg profiteerden van deze ontwikkeling met hun diepe vaargeulen rondom het eiland. Na overslag in Middelburg of Vlissingen, werden de goederen langs verschillende vaarroutes naar de Hollandse en Vlaamse steden en hun achterland vervoerd. Mede hierdoor groeide Vlissingen uit tot een welvarende stad.

Door het klein aantal inwoners kende Walcheren een beperkte groep welgestelden. Deze groep hadden geïnvesteerd in de VOC en vormden het bestuur. Dezelfde bestuurders hadden vaak ook een functie in andere maritieme organisaties, zoals de Zeeuwse admiraliteit (marine). Zeeland had een eigen oorlogsvloot. De schepen van de VOC konden daardoor ook ingezet worden als oorlogsschip. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw ontstond een verdeling tussen Middelburg en Vlissingen. Middelburg werd het bestuurscentrum. De bouw van oorlogsschepen, die onder meer de VOC-vloot konvooieerden, bleef in Vlissingen. In 1693 werd de haven uitgediept en voorzien van een sluis. In deze Dokhaven konden schepen onafhankelijk van het tij aan de kade liggen. Loodsen gingen vanuit Vlissingen de VOC-retourschepen tegemoet om ze over het laatste, maar gevaarlijke stukje Westerschelde te begeleiden. Hoewel schepen in de Dokhaven konden aanleggen, gingen de meeste volgeladen VOC-schepen voor de rede van Rammekens voor anker. Een deel van de kostbare lading werd in Vlissingse pakhuizen opgeslagen.

Sinds 2002 is in het Lampsinshuis het Zeeuws Maritiem MuZEEum gevestigd. In dit museum bevindt zich een uitgebreide collectie voorwerpen afkomstig van gezonken Oost-Indiëvaarders. Naast deze voorwerpen kent de collectie meerdere objecten die stammen uit de tijd van de VOC en die een indruk geven van de rijke maritieme geschiedenis van Zeeland.

Cornelis Lampsins liet dit pand in 1641 bouwen. Hij was de belangrijkste en rijkste Zeeuwse reder van de zeventiende eeuw. Dankzij dergelijke families, die hun vermogen onder meer hadden opgebouwd in de kaapvaart, kon Zeeland een belangrijke rol spelen in de hele VOC-organisatie. Andere voorbeelden van zeventiende-eeuwse gevels, die getuigen van de aanwezigheid van kapitaal, zijn terug te vinden in de luxe gevels van de nabijgelegen panden Nieuwendijk 15 en 17.

De Engelse of Vissershaven, aangelegd in de vijftiende eeuw, kwam tot bloei in de zestiende eeuw. De handelsschepen konden hun lading op de brede kade lossen. Vooral in de achttiende eeuw nam de hoeveelheid lading aangevoerd door Oost-Indiëvaarders zodanig toe, dat deze niet altijd opgeslagen kon worden in Middelburg. Zo kwamen in 1726, onder leiding van de Vlissinger Ewoud van Dishoeck (bewindhebber van 1733 tot 1744), 23 Oost-Indiëvaarders terug uit Azië. Een deel van de schepen koerste naar Zeeland om haar lading te lossen. Men maakte gebruik van het grote aantal pakhuizen gelegen rondom deze haven. Zoals het pakhuis aan de Nieuwendijk 41. Boven in de gevel van dit pakhuis is in de achttiende eeuw een wapenbord aangebracht. Het linkerdeel van het wapenbord toont de wapens van de oorspronkelijke Vlissingse familie De Ruyter en aan de rechterzijde het wapen van de Middelburgse familie Parker. Een voorbeeld van ‘Geld trouwt geld’. Niet alleen de rijkdom bleef binnen de families, maar ook de macht en invloed binnen de VOC werden zo gewaarborgd.

Oorspronkelijk lag hier een haven, de Pottehaven, gegraven in de zestiende eeuw. Na een stormvloed met een overstroming in 1906 werd deze haven gedempt en zijn er huizen op gebouwd. Langs de oorspronkelijke kades staan nog steeds pakhuizen uit de tijd van de VOC.

In de achttiende eeuw kwam een belangrijk deel van het kapitaal voor de VOC uit Vlissingen. Bewindhebbers of functionarissen lieten de welvaart tot uiting komen in prachtige woningen. Deze konden niet meer in de oude binnenstad worden gebouwd. Ze verrezen langs de Pottekade en de Dokhaven, aangelegd aan het eind van de zestiende- en begin van de zeventiende eeuw. Het Beeldenhuis aan de Hendrikstraat 25 is rond 1727 gebouwd naar een ontwerp van de Antwerpenaar J.P. van Baurscheit jr. in opdracht van Johan van Westerwijck. Deze was op jonge leeftijd met Ewoud van Dishoeck naar Oost-Indië vertrokken en rijk teruggekeerd. De beelden verwijzen naar de handel en de zee, zoals de god van de wereldzeeën Poseidon en vier vrouwenfiguren die de werelddelen Afrika, Europa, Azië en Amerika voorstellen. Johan van Westerwijck werd in 1733 bewindhebber van de West-Indische Compagnie. Hij investeerde ook in de Zeeuwse kamer van de VOC. In het wrak van de in 1735 gezonken Oost-Indiëvaarder 't Vliegent Hert, zijn zegelafdrukken gevonden met het wapen van Johan van Westerwijck. Dit pand stond oorspronkelijk (tot 1931) aan de Dokhaven. Ewoud van Dishoeck liet in 1733 tegenover de woning van Johan van Westerwijck een gelijksoortig stadspaleis bouwen, ontworpen door dezelfde architect Van Baurscheit. Dit pand is echter in 1985 gesloopt.

Schuin tegenover het Beeldenhuis op nr. 12 is een andere typisch Vlissingse rederswoning te vinden. Oorspronkelijk keek dit pand uit over een haven en was gebouwd door mr. Jacob Porrenaer. Hij was getrouwd met een dochter van Jan Lambrechtsen Coolen, medeoprichter van de Zeeuwse kamer van de VOC en een van de eerste bewindhebbers. Een andere dochter was getrouwd met een Lampsins, de familie die we al eerder zijn tegengekomen. In de achttiende eeuw kwam het pand in handen van de familie Mauritz.

De Stenen Beer markeert het oudste droogdok van het vasteland van Europa. Oorspronkelijk was dit het einde van de Pottehaven en daar waar deze haven aansloot op de Dokhaven, was deze afgesloten met een doorlaatbare dam, een stenen beer. De oorspronkelijk zeventiende-eeuwse gevels aan de linkerzijde stonden dus aan een kade.

In 1614 is de Dokhaven gegraven. Aan deze Dokhaven lagen pakhuizen en ook een scheepswerf. Eind zeventiende eeuw ontstond de wens om een droogdok te bouwen. Een stukje haven dat kon worden droog gepompt. Hierdoor konden scheepstimmerlieden de schepen ook onder de waterlijn repareren. In Engeland had men al eerder droogdokken gebouwd en het is dan ook niet vreemd dat de Engelsman John Perry in 1697 opdracht kreeg een droogdok te ontwerpen. Dit ontwerp is in de jaren 1704-1705 geheel in hout uitgevoerd. Het Droogdok kende veel reparaties, mede omdat het aangetast raakte door paalworm.

Even voorbij het Droogdok is in 1614 in opdracht van Prins Maurits de Dokhaven aangelegd op de plek van de voormalige stadsgracht. De haven had een open verbinding met de zee en bleek al snel te verzanden en dus te ondiep voor de steeds groter wordende schepen. Op aandringen van Willem III werd eind zeventiende eeuw besloten de haven uit te diepen en te voorzien van een sluis. In 1693 ontstond zo een unieke haven in de Republiek, waarin het water door de sluis constant op dezelfde hoogte bleef staan.
Aan het begin van de zeventiende eeuw werd deze haven in gebruik genomen door de Zeeuwse Admiraliteit. De Admiraliteit had als taak met schepen koopvaardijschepen en ook Oost-Indiëvaarders te beschermen tegen vijanden en zeerovers. Hiervoor bezat men rond de Dokhaven pakhuizen en een eigen scheepswerf. In de zeventiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat een Oost-Indiëvaarder, zoals de Prins Willem, verbouwd werd tot oorlogsschip. Door de diepgang van de haven en de goede walfaciliteiten konden ook de schepen van de VOC en de WIC hier afmeren. De WIC had aan het eind van de Dokhaven eigen pakhuizen, die aan het eind van de achttiende eeuw ook door de VOC zijn gebruikt. De panden zijn alle gesloopt ten behoeve van de nu verdwenen scheepswerf. Ter plaatse wordt een nieuwe woonwijk ingericht.

Michiel de Ruyter is in Vlissingen geboren. Hij woonde als laatste in de Nieuwstraat, op wat nu nr. 13 is, totdat hij in 1653 naar Amsterdam vertrok. De Ruyter was begonnen als leerjongen in een touwslagerij van de familie Lampsins. Hij werd kapitein op een van de schepen van Cornelis Lampsins, onder ander als kaper. Later kwam hij in dienst bij de Admiraliteit en heeft hij vaak Oost-Indiëvaarders begeleid en beschermd tegen vijanden en zeerovers. In de loopbaan van De Ruyter komt de verweving tussen kaapvaart, Admiraliteit, VOC en WIC duidelijk naar voren. Tegenover het pand Nieuwstraat 13, zijn de (in de negentiende eeuw verbouwde) pakhuizen van de familie Lampsins te zien.
 

Vooral de toren van de St. Jacobskerk was voor de scheepvaart van belang. Vanaf de toren kon men schepen zien aankomen. Het verhaal gaat dat De Ruyter in 1619 deze toren die toen in de steigers stond, beklom, de zee zag liggen en toen besloot te gaan varen. De toren was op zee al van veraf te zien. Samen met enkele andere torens, zoals de Gevangentoren, konden de schippers hun plaats bepalen en veilig de Westerschelde opvaren.

In de St. Jacobskerk herinneren twee grafmonumenten aan het VOC verleden. Aan een muur hangt het grafmonument van de al genoemde Jan Lambrechtsen Coolen. Coolen was naast bewindhebber ook burgemeester van Vlissingen en een van de belangrijkste kooplieden uit de zestiende eeuw. Hij heeft als een van de eerste Nederlanders expeditiereizen naar de Afrikaanse en Amerikaanse kust gemaakt. Het tweede grafmonument is van Daniël Octavius Barwell. In dit gedenkteken is een zinkende Oost-Indiëvaarder afgebeeld. Het stelt het zinken van de De Woestduyn voor, die op 24 juli 1779 zonk. Hoewel Frans Naerebout een groot deel van de opvarenden wist te redden, is Barwell overboord geslagen en verdronken. De 23-jarige Barwell werd in de St. Jacobskerk begraven. De familie liet daarop dit monument maken. Aan de muur hangen verder nog wapenborden van de familie Lampsins. Ook is er een in 1966 aangebracht gebrandschilderd raam met scenes uit het leven van De Ruyter te zien, gemaakt door P.A.H. Hofman. De kerk is zomers opengesteld voor publiek.

Het Bellamypark is oorspronkelijk een onderdeel van de in 1304 gegraven oudste haven. Er omheen ontstond Vlissingen, met het in 1809 verwoeste stadhuis, de beurs en de woningen van grote kooplieden, zoals Lambrechtsen Coolen. In 1910 werd de haven, tegelijk met een aantal andere, gedempt en omgedoopt tot Bellamypark. In tegenstelling tot de Pottekaai is de voormalige haven niet bebouwd.

Op nummer 2 is het Groot Heerenlogement te zien. Dit herenlogement is gebouwd in 1661 en diende als een soort luxehotel voor rijke handelaren. In de stad waren er verder slechts enkele kleine eenvoudige herbergen. Voor gasten van de Admiraliteit of passagiers die via Vlissingen op een schip van de WIC of VOC wilden komen, ontbrak een goed onderkomen. Dit ‘hotel’ werd gebouwd in opdracht van burgemeester Thijssen. Hij was tevens bewindhebber van de WIC en nauw betrokken bij de VOC.

Samen met de familie Hugronje en Van Dishoeck leverde de familie Lambrechtsen regelmatig hoge functionarissen voor de VOC en de WIC. Anthonie Pieter Lambrechtsen bijvoorbeeld was rekenmeester van de VOC. Hij was verantwoordelijk voor de bouw van de gevel van dit pand, genaamd Edenburg.

Dit was aan het eind van de zestiende eeuw de locatie waar de welgestelden van Vlissingen woonden. Op nummer 41 was in die periode de Zeeuwse Admiraliteit gevestigd.

Het Keizersbolwerk beschermde de ingang van de Vlissingse havens. Keizer Karel V gaf omstreeks 1547 opdracht tot de bouw van het vestingwerk. Tot en met de zeventiende eeuw was Vlissingen een van de belangrijkste havens van de Nederlanden. Via de rede van Vlissingen kon men de havens van Antwerpen, Gent en Brugge bereiken en tot het begin van de Tachtigjarige Oorlog was Vlissingen voor een reis naar Spanje het meest belangrijke vertrekpunt van de Nederlanden. Binnenkomende schepen werden vanaf dit bolwerk met kanonschoten welkom geheten.

Op het bolwerk staat het beeld van Michiel Adriaenszn. de Ruyter. Veel Oost-Indiëvaarders werden tijdens perioden van oorlog gekonvooieerd door schepen van de Admiraliteit, die in Vlissingen was gevestigd. Ook Michiel de Ruyter heeft aan boord van een Admiraliteitsschip VOC-schepen begeleid door het Kanaal of zelfs tot Afrika aan toe.

Vanaf het Keizersbolwerk heeft men uitzicht over de rede van Vlissingen, een ankergebied voor veel koopvaarders en Oost-Indiëvaarders. Deze rede lag vooral achter de Oranjemolen. Deze molen ligt op een uitstekend punt in de Westerschelde, oorspronkelijk een onderdeel van de vestingmuur van Vlissingen. Het water ligt in de luwte van de stadsmuren en was daardoor relatief rustig. Het was ook diep vaarwater en de kans op het vastlopen van een schip was gering. Naast de molen De Zuiderburg liggen twee paalhoofden op de plaats waar tot enkele decennia geleden de toegangshaven tot de Dokhaven was.