Loetbosroute

Nederland, Zuid-Holland, Ouderkerk a/d IJssel

Bossen zijn een zeldzaamheid in het Groene Hart. Kenmerkend is juist de grote openheid van het veenweidelandschap. Dat is niet altijd zo geweest. In de vroege middeleeuwen bestond een gebied als de Krimpenerwaard nog volledig uit veenmoeras en drassig broekbos. Kolonisten hebben dit onland omstreeks het jaar 1000 in cultuur gebracht. Al het woeste bos en moeras verdween op den duur, maar duizend jaar later keren langzaam weer plukjes broekbos terug, zoals het Loetbos en het Krimpenerhout.

Loop vanaf de parkeerplaats ca. 20 m naar de doorgaande weg en naar wandelknooppunt 36. Volg vervolgens de knooppunten 37-38-39-32-35. Vanaf hier loopt u weer terug naar knooppunt 36.

Aandachtspunten onderweg:
• bij knooppunt 36 ontbreekt het nummer op het paaltje;
• knooppunt 38 is slecht zichtbaar (zit op zijkant afvalbak): hier ca. 30 m vóór het fietsknooppuntbord bij picknickbank ra via een graspad (officiële route), of via het fietspad richting fietsknooppunt 20;
• let iets voorbij 35 op de knooppuntbordjes, de route loopt via het graspad links van het fietspad.

Het bochtige riviertje de Loet vormt een uitzondering op de rechte sloten en wegen van de Krimpenerwaard. Deze veenstroom dateert van vóór de ontginningen en zorgde oorspronkelijk voor de afwatering. Eigenlijk is het een riviertje met twee armen die parallel aan elkaar lopen. Tussen de twee stromen liggen eilandjes die voor een deel via bruggen toegankelijk zijn. Vroeger liep het gebied tussen beide armen onder bij hoog water. De Loet fungeerde voorheen als een natuurlijke boezem en vormt nu de ruggengraat van een afwisselend natuurgebied met bos, moeras, open graslanden en kleine plassen en poelen. De open plekken van het Loetbos worden begraasd, zodat ze niet dichtgroeien. Hier gedijt onder andere de Gelderse Roos. Deze flink uit de kluiten gewassen inheemse heester is onder andere aantrekkelijk voor bijen en hommels. Roodgatjes, aardhommels en zwartbronzen zandbijen storten zich op de nectar van de witte bloemen en in de winter foerageren goudvinken, kramsvogels en kraaien op de knalrode bessen.

Symbiose van recreatie en natuur
In het Loetbos krijgen bezoekers de ruimte, maar tegelijkertijd is het Loetbos een schakel in de ecologische hoofdstructuur. Deze combinatie is mogelijk omdat de recreanten niet massaal toestromen. De natuur heeft de regie in handen: de beheerders blijven zo veel mogelijk aan de kant staan. Ze helpen de natuur hoogstens een handje, bijvoorbeeld door grond af te graven zodat poelen en moerasjes ontstaan. Sloten verlanden doordat ze niet worden gemaaid en snoeien gebeurt alleen om wandelpaden vrij te houden. Als proef wordt het bermmaaisel afgevoerd, zodat de bermen verschralen en er zich een grotere diversiteit aan planten kan vestigen.

De Oudelandse Weg en het Westeinde waren de ontginningsbases van dit deel van de Krimpenerwaard. De kolonisten bouwden hun onderkomens aan de weg en zetten smalle kavels uit in het achterland. Sloten dienden als perceelafscheiding. Heggen of afrasteringen ontbreken nagenoeg geheel in het Groene Hart. De sloten zijn opvallend breed. Hier en daar liggen kleine plassen (veenputten). Boeren hebben eeuwenlang de sloten uitgebaggerd. Het slib werd vermengd met stalmest en gebruikt om percelen op te hogen en te bemesten. Ook hebben boeren voor eigen gebruik aan veenwinning gedaan om er turf van te maken.

De Molenvliet en Berkenwoudsche Boezem werden in de 14e eeuw gegraven voor de afwatering van het middengebied van de Krimpenerwaard. Door inklinking van de slappe veenbodem werd het op den duur steeds moeilijker om het land droog te houden. Het overtollige water moest worden afgevoerd naar de Hollandsche IJssel. Windmolens hevelden het water over van een lage in een hoge boezem en vervolgens in de rivier. In de 19e eeuw werd die taak overgenomen door stoomgemalen. Debrede boezemwateren verloren hun functie en konden gedeeltelijk verlanden. Zo zijn waardevolle natuurgebieden ontstaan met schraalgraslanden, rietvelden en moeras.

Wandelen over de Tiendweg Oost is een waar genoegen. Verkeer is er nauwelijks en de blik reikt ver over het riet- en grasland. Hier heersen rust en ruimte. De wandelaar heeft alleen gezelschap van koeien, eenden en zwanen: de Krimpenerwaard op zijn mooist.

Het dijkdorp Ouderkerk aan den IJssel heeft de afgelopen 25 jaar niet dezelfde groeispurt doorgemaakt als de nabijgelegen dorpen Krimpen, Capelle en Nieuwerkerk. Het is een rustig oord gebleven met een streng hervormde kerk, een supermarkt, een Italiaans restaurant dat alleen ’s avonds open is, en een kaarsrechte dorpsstraat.

Als een lang, recht lint loopt de Kerkweg naar het Loetbos. Aan de strakke lijnen van wegen en sloten en de rechthoekige kavels valt af te lezen dat de Krimpenerwaard voor honderd procent cultuurlandschap is. De kolonisten hebben in de middeleeuwen vanaf de Hollandsche IJssel langgerekte kavels uitgezet van gelijke grootte. Binnen die geordende structuur werden later wegen aan- gelegd en weteringen gegraven voor de afwatering.