Loetbosroute

Nederland, Zuid-Holland, Ouderkerk a/d IJssel

Bossen zijn een zeldzaamheid in het Groene Hart. Kenmerkend is juist de grote openheid van het veenweidelandschap. Dat is niet altijd zo geweest. In de vroege middeleeuwen bestond een gebied als de Krimpenerwaard nog volledig uit veenmoeras en drassig broekbos. Kolonisten hebben dit onland vanaf omstreeks het jaar 1000 in cultuur gebracht. De veenwildernis werd met sloten ontwaterd en geschikt gemaakt voor de landbouw. Nu, duizend jaar later, keren langzaam weer plukjes broekbos terug. Zoals het Loetbos, waar deze route begint en eindigt.

Tip: Wandel deze route via de gratis ANWB Eropuit app. Zoek de route in de app via de filters. Onderweg zie je op het kaartje waar je bent, zo kun je niet verdwalen.

In het Loetbos mogen honden het hele jaar los lopen (mits ze onder appèl staan). Op fietspaden, bij kinderspeelplaatsen en in de natuurgebieden moeten ze aan de lijn. Let op de bordjes!

Deze route is niet geschikt voor mindervaliden i.v.m. smalle en onverharde paden.

Start bij de groene paal van het Toeristisch Overstappunt en wandel halverwege de parkeerplaats het bos in: volg vanaf nu de stickers met een rode pijl op een gele ondergrond. Voorbij de kanoverhuur kom je bij wandelknooppunt 36 (het nummer staat op de achterzijde van de paal). Volg de rode pijlen naar 37 en dan naar 38 (let op: ga voorbij het bruggetje op het fietspad linksaf).

Wandel naar de knooppunten 39, 32 en 35. Ga bij 35 linksaf richting 36. Volg het fietspad 1 km, ga bij een rode pijl linksaf en direct rechtsaf over het onverharde pad (of vervolg het fietspad als dit pad is overwoekerd). Volg de rode pijlen terug naar de parkeerplaats.  

Het bochtige riviertje de Loet vormt een uitzondering op de rechte sloten en wegen van de Krimpenerwaard. Deze veenstroom dateert van vóór de ontginningen en zorgde oorspronkelijk voor de afwatering. Eigenlijk is het een riviertje met twee armen die parallel aan elkaar lopen. Tussen de twee stromen liggen eilandjes die voor een deel via bruggen toegankelijk zijn. Vroeger liep het gebied tussen beide armen onder bij hoog water. Nu vormt de Loet de ruggengraat van een afwisselend natuurgebied met bos, moeras, open graslanden en kleine plassen en poelen. De open plekken worden begraasd zodat ze niet dichtgroeien. Hier gedijt onder andere de gelderse roos. Deze flink uit de kluiten gewassen inheemse heester is aantrekkelijk voor bijen en hommels. Roodgatjes, aardhommels en zwartbronzen zandbijen storten zich op de nectar van de witte bloemen en in de winter foerageren goudvinken, kramsvogels en kraaien op de knalrode bessen.

Bij wandelknooppunt 38 kruist het fietspad de Oudelandseweg (links) en het Westeinde (rechts). Hiervandaan trokken de kolonisten de veenwildernis in. Ze bouwden hun onderkomens langs de weg en zetten smalle kavels uit in het achterland. Sloten dienden als perceelafscheiding. Heggen of afrasteringen ontbreken nagenoeg geheel. De sloten zijn opvallend breed doordat boeren hier   eeuwenlang hebben gebaggerd. Het slib werd vermengd met stalmest en gebruikt om percelen op te hogen en te bemesten. Ook hebben boeren voor eigen gebruik veen afgegraven. Gedroogd veen – turf – was lange tijd de belangrijkste brandstof voor de ovens en kachels.

Wateroverlast was al vanaf het begin een probleem in de Krimpenerwaard. Door ontwatering verteerde het veen en daalde de bodem, waardoor het op den duur steeds moeilijker werd om het land droog te houden. De oplossing: het graven van afwateringskanalen vanuit het hart van de waard naar de Hollandse IJssel. De vaarten rechts van het fietspad - de Molenvliet en verderop de Berkenwoudsche Boezem - dateren van de 14e eeuw. Windmolens hevelden het water over van een lage in een hoge boezem en vervolgens in de rivier. In de 19e eeuw werd die taak overgenomen door stoomgemalen. De brede boezemwateren verloren daarmee hun functie en groeiden gedeeltelijk dicht met riet en soms ook bos.

Wandelen over de Tiendweg Oost is een waar genoegen. Verkeer is er nauwelijks en de blik reikt ver over het riet- en grasland. Hier heersen rust en ruimte. De wandelaar heeft alleen gezelschap van koeien, eenden en zwanen: de Krimpenerwaard op zijn mooist. In het voorjaar zitten de sloten vol met krabbenscheer, een waterplant die je herkent aan de smalle, puntige bladeren die als messen boven water uitsteken. Na het bloeiseizoen zakken de planten terug naar de bodem van de sloot.

De bebouwde kom rechts hoort bij dijkdorp Ouderkerk aan den IJssel. De route gaat hier naar links, door speelpolder De Tiendtuin. Ouderwets ravotten en lekker vies worden, dat is de bedoeling van deze speelplaats met veel water, een trekvlot en een kabelbaan. Bij de kraan kun je je waterfles bijvullen.

Aan de strakke lijnen van sloten, weilanden en wegen valt af te lezen dat de Krimpenerwaard voor honderd procent cultuurlandschap is. De ontginners startten bij de Hollandse IJssel en zetten langgerekte kavels uit van gelijke grootte. In een volgende fase ontgonnen ze ook de strook daarachter. Polder Oudeland – herkenbaar aan het bordje van het Zuid-Hollands Landschap – was echter te nat om er landbouwgrond van te maken. De boeren gebruikten het onder meer om veen te winnen en eendenkooien aan te leggen. Nu staat het vol met wilde bloemen en hoor je in het voorjaar de grutto boven alles uit.