Dwalen op het Dwingelderveld

Nederland, Drenthe, Spier

Het Nationaal Park Dwingelderveld behoort tot de grootste natuurterreinen van ons land. Een heerlijke bestemming voor een gevarieerde herfstwandeling! Het gebied, van oorsprong in dienst van de landbouw met overbegrazing en stuifzand als gevolg, is vanaf het begin van de 20e eeuw beplant met bomen om het bewegende zand te temmen. Vanaf 1991 waait een nieuwe wind. De terreinbeheerders hebben de handen ineengeslagen om natuurlijke ontwikkeling voorrang te geven. Na het afgraven van de bemeste bovenlaag heeft de natuur het gebied razendsnel in bezit genomen. Gevarieerde bossen, open stukken met heide en stuifzand, en natte delen waar veenpluis groeit, wisselen elkaar af.

A. Volg vanaf het Oriëntatiecentrum de witte route tot bij de afrastering van het open gebied. Ter hoogte van het hotel ontbreekt een wit bordje; loop rechtdoor op kruising en volg de witte routebordjes,  totdat je bij de afrastering komt.

B. Bij afrastering bij het infopaneel ga je RA langs de afrastering en loop je door naar de verharde weg (Smalbroek). Let op u volgt vanaf nu de gele route, maar in de verkeerde richting (de palen staan net achter de bocht).

C. Ga na huisnr. 27 la. Bij einde weiland rd bos in en na 50 m ra. Einde pad la, dan 1e pad ra. Bij tweede bankje links aanhouden. Na heideveld bij bankje links aanhouden.

D. Einde pad la en na 50 m (2e pad) la. Op viersprong ra. Einde pad bij afrastering la.

E. Na 300 m ra door klaphek. Pak over het vlonderpad en voorbij het tweede klaphek de witte route weer op.

Als u ’s zomers vanonder een beukenboom de zon probeert te zien, gaat u dat waarschijnlijk niet lukken; de beuk is bijzonder effectief in het opvangen van zonlicht. In de herfst natuurlijk wel, maar dan is de zon niet krachtig genoeg meer om de dunne bast te ‘verbranden’. De bruine bladeren bedekken dan de bodem. Na 2-3 jaar zijn ze verteerd en opgenomen in de grond. De bladerdeken wordt dus elk jaar iets dikker. Onder deze isolatielaag is de temperatuur beduidend hoger dan daarboven. Dit komt door de stilstaande lucht tussen de bladeren, maar ook door de rottingsprocessen waarbij warmte vrijkomt. En dat weet een egel ook! Voor zijn winterslaap kruipt hij diep weg onder die dikke warme deken.

Dikke rechte naaldboomstammen zijn het resultaat van nauwkeurig gepland beheer. In een natuurlijke situatie waaiert een boom breed uit, maar in een productiebos staan de jonge bomen dicht op elkaar. Hierdoor groeien ze zo snel mogelijk naar de zon. Staatsbosbeheer voert hier tegenwoordig een beleid dat gericht is op het laten ontstaan van een natuurlijker bos. De uitheemse boomsoorten die hier staan, zoals fijnsparren, Douglas en lariksen, maken geleidelijk plaats voor inheemse soorten als berk, beuk en eik. Sloten worden gedempt, waardoor het regenwater niet langer wordt afgevoerd en het gebied natter wordt. Ook dit zorgt voor meer variatie.

In de herfst explodeert de bodem en zijn de vruchtlichamen te zien van schimmels die in de strooisellaag leven: paddenstoelen. Andere zwammen zijn het hele jaar door zichtbaar! Op berken komen berken- en tonderzwammen voor. Het gebruik van deze zwammen is al heel oud. De 5300 jaar oude ijsmummie Ötzi had berken- en tondelzwam bij zich, waarschijnlijk om vuur te maken en als bloedstelpend en desinfecterend middel.

Vanaf de bank is het de moeite waard om het open veld te bekijken. Met het ven, het strokleurige pijpenstrootje, de gele berken, de groene dennen en de veelkleurige eiken is het herfstpalet uitbundig aanwezig.

Kleurig gevlekte schapen
Schapen horen bij Drenthe en zo vreemd is dat niet. Van oudsher hadden boeren te maken met weinig vruchtdragende akkers op arme zandgrond. Door hun kudde te weiden op de heidevelden en ’s avonds te laten keutelen in de potstal, verkregen zij mest om de gewasopbrengst te verbeteren. Nadat kunstmest het schaap had verdrongen, zijn de schapen nu terug als ecologische grasmaaiers. In de herfst hebben de vrouwtjes kleurige vlekken op hun vacht. Dit komt zo: de rammen krijgen een stempelkussen, een ‘dekblok’, op hun buik gebonden met rood, groen of blauw kleurkrijt. Als een ram een ooi bespringt om haar te dekken, bestempelt hij haar rug. Zo kan de boer nagaan welke ooien gedekt zijn en door welke ram. Ook kan hij zo in de gaten houden wanneer elk schaap moet lammeren.

Het Lheebroekerzand is vermaard om de jeneverbes. Deze conifeer staat op de rode lijst van beschermde planten en komt van nature voor op stuifzand. Dit was vroeger dan ook een open terrein, waar de wind vrij spel had. De wind blies het stuifmeel van de mannelijke naar de vrouwelijke bomen, het ‘roken’ van een jeneverbesstruweel. De wind zorgde ook voor levend stuifzand, waarop de jeneverbeszaden konden ontkiemen. Eind 19e eeuw graasden hier schapen die mest produceerden voor de akkerbouw. Door overbegrazing van de heidevelden ontstonden stuifzandgebieden en de komst van kunstmest maakte schapen overbodig. Jeneverbes had hierdoor de kans te ontkiemen en de jonge plantjes werden niet meer opgegeten, met dit uitbundige jeneverbesstruweel als resultaat. De bessen worden van oudsher gebruikt om zuurkool en jenever te kruiden.

Onder de grove dennen ligt een tapijt van kraaiheide. Al vroeg in het jaar (april/mei) staat de kraaiheide in bloei en kleurt de bosbodem rood. In het najaar is het tapijt groen met zwarte stippen. De glimmende bessen (net als kersen een steenvrucht) zijn voor de mens eetbaar, zij het bitter van smaak. Maar vogels, marters en vossen smullen ervan!

Onder een laag schraal dekzand ligt een dikke laag keileem onder het landijs; fijngemalen stenen afkomstig uit Scandinavië, bestaande uit keien, zand, grind en leem. Door de ondoorlatende keileem blijft het regenwater staan en is de grondwaterspiegel hoog. Het Dwingelderveld is hierdoor op veel plaatsen drassig en vennen hebben het hele jaar door water. De natste gebieden zijn toegankelijk gemaakt door de aanleg van vlonderpaden.