Hamalandroute

De Hamalandroute is 253 km lang en verbindt het oosten van Nederland met het westen van Duitsland en voert je door Twente, Münsterland en de Achterhoek. In het Nederlandse deel van de route worden bossen afgewisseld door maïsvelden, weilanden, houtwallen en kronkelende beekjes.

Wegen slingeren zich, omzoomd door hoog geboomte, langs karakteristieke dorpjes. Het kampen- en essenlandschap bij Winterswijk heeft een bijzondere kleinschalige openheid met een zeer groen karakter. Het Münsterland heeft een vlak tot licht golvend landschap. Bossen, rivieren, immense kastelen, vakwerkboerderijen en historische stadjes zorgen voor de nodige variatie.

Bewegwijzering

Deze route is niet beschreven, maar bewegwijzerd met zeshoekige borden waarop 'Hamalandroute'. Je kunt de bordjes volgen. Als er bij rotondes of kruisingen geen bord staat, betekent dit dat u rechtdoor moet blijven rijden. Het routeboekje kun je ook kopen bij de VVV.

Staat er een bordje verkeerd? Of mist er iets in de bewegwijzering? Geef dan een melding door.

Startpunten

Je kunt de route op verschillende punten starten:

  • TOP Lankheet, Erve Bruggert, Scholtenhagenweg 46, Haaksbergen
  • TOP Diepenheim, Grotestraat t/o de Hagen, Diepenheim
  • TOP Delden, NS-station Delden, Stationsweg, Delden
  • Groenlo, Museum en herberg Erve Kots, Eimersweg 4, Lievelde

Hoogtepunten langs de route

In de middeleeuwen bouwde de adel zijn kastelen op goed verdedigbare plaatsen. Kastelen werden daarom bij voorkeur op heuveltoppen gebouwd. In het relatief vlakke Westfaalse Münsterland moest men door middel van een brede slotgracht indringers buiten de deur houden. Vandaar de naam Wasserschloß, waterslot of –burcht. In latere tijden verviel de verdedigingsfunctie en ging men het woongenot belangrijker vinden. Er werden burchten gebouwd die meer het aanzien van een landhuis kregen. In Münsterland worden die vaak aangeduid met Herrenhaus. Veel kastelen zijn vanwege de spartaanse woonomstandigheden in de loop der tijden door de bewoners verlaten en tot ruïnes vervallen. De over het algemeen ruimere en meer comfortabele waterburchten daarentegen, behielden hun woonbestemming of worden tegenwoordig voor andere doeleinden gebruikt.

Delden is een stadje met allure. Aan het Marktplein staat de Grote of St. Blasiuskerk die in oorsprong uit de 15e eeuw dateert. Bezienswaardig is ook het Zoutmuseum. Het bevindt zich vlakbij de plaats waar in 1886, op een diepte van 566 meter, voor het eerst zout in de Nederlandse bodem gevonden. In het zoutmuseum ontdek je wat men vroeger met zout deed en waarom het nu nog steeds belangrijk voor ons is (Langestraat 30. Mei-sept. ma.-vr. 11-17, za., zo. 14-17; okt.-apr. di.-vr., zo. 14-17 uur).

In Delden kun je even van de route afwijken voor een bezoek aan het landgoed van Kasteel Twickel. Binnen de buitenplaats is het mogelijk de tuinen, het park en de moestuin te bezoeken en verder zijn er op het landgoed verschillende bezienswaardigheden, waaronder een houtzaagmolen en de museumboerderij Wendezoele (Twickelerlaan 6. Juli, aug. dag. 10.30-17; Sept.-juni di.-za. 13.30-17 uur).

De schoorsteen van de vroegere Boekelosche Stoom Bleekerij en de karakteristieke groene zouthuisjes in de omgeving van het dorp laten zien dat Boekelo al bijna een eeuw het centrum van de Nederlandse zoutwinning is. Onder de zouthuisjes zoekt het pompwater 400 meter diep contact met de 50 meter dikke zoutlaag, hier honderden miljoenen jaren geleden gevormd door een tropische zee. Met een zoutgehalte van 300 gram per liter water keert het mengsel terug naar de fabriek, alwaar grote verdampingsketels zorgen voor het scheidingsproces van zout en water.

In het hart van het oude centrum staat de Pancratiuskerk. De eerste stenen van de uit Bentheimer baksteen opgetrokken kerk werden al in de 12e eeuw gelegd. In het oude stationsgebouw van Haaksbergen is het Museum Buurt Spoorweg gevestigd waar op het emplacement stoom- en diesellocomotieven en gerestaureerde rijtuigen en goederenwagons te bezichtigen zijn (Stationstraat 3. Juli di., wo., zo. 10-17; aug. di., zo. 10-17; apr.-juni, sept., okt. di., zo. 1-17 uur).

Ten zuiden van Haaksbergen ligt de Oostendorper Watermolen. De molen dateert uit 1548 en is een dubbele watermolen. Op de rechteroever stond de korenmolen met twee raderen en op de linker oever de oliemolen met een rad. Deze combinatie maakt de molen uniek.

Kort na Haaksbergen is het mogelijk om de route in te korten. Via Eibergen, Vreden en Zwillbrock bereik je Winterswijk. Bij Winterswijk pik je de hoofdroute weer op.

Het Hamalandmuseum (Butenwall 4. Apr.-okt. di.-zo. 10-17 uur) gaat uitvoerig in op de geschiedenis van de Chamaven: de Germaanse volksstam die in de eerste eeuwen van onze jaartelling het gebied bevolkten en waarnaar deze route is genoemd. Daarnaast wordt aandacht besteedt aan het wonen en werken van de Münsterlanders in het recentere verleden. Op hetzelfde terrein ligt het Heimatmuseum, dat bestaat uit verschillende authentieke boerenhuizen, schuren en bijgebouwen. In 2016 ontstaat hier het Kunsthistorisch Zentrum Westmünsterland.

Vreden heeft twee bezienswaardige kerken: de St. Felicitas- en St. Georgkerk. Ook het barokke gemeentehuis dat gebouwd is op de fundamenten van de voormalige bisschoppelijke residentie is een kijkje waard.

Het Zwillbrocker Venn of (minder gebruikelijk) Zwilbroeksveen is een moeras- en hoogveengebied. Dit beschermd natuurgebied is een broedplaats voor meer dan honderd vogelsoorten. In het moerasgebied broedt de grootste binnenlandse kokmeeuwenkolonie van Duitsland, met 16.000 getelde meeuwen. Verder is het Zwillbrocker Venn het meest noordelijk gelegen broedgebied voor flamingo’s in Europa.

De eerste steen van de St. Franziscus werd gelegd in 1717. De kerk kon niet eerder dan in 1748 worden gewijd. Door een decreet in het kader van de Franse heerschappij over Westfalen werd het klooster gesloten en zelfs grotendeels afgebroken. De kerk bleef dit lot bespaard. De huidige parochiekerk in Zwillbrock is vanwege het kostbare interieur zeer de moeite van het bekijken waard. Het cultuurmonument ‘Kloppendiek’ vormde waarschijnlijk het oude kerkpad voor de katholieken uit Eibergen en Groenlo; het pad loopt vanaf de kerk precies in westelijke richting over de grens naar Nederland. Nog steeds is de Kloppendiek door de bizar gevormde holle knoteiken als allee herkenbaar.

Tussen Haaksbergen en Buurse passeer je de natuurgebieden van het Lankheet en het Buurserzand. Het Buurserzand is eigendom van Natuurmonumenten en is het restant van een uitgestrekt heidelandschap. De omgeving van het Buurserzand is begin 1900 tot 1940 ontgonnen tot landbouwgebied en maakt een relatief grootschalige indruk. Het Buurserzand bleef gespaard van ontginning omdat de familie van Heek het gebied gebruikte als jachtgebied en het in 1929 aan natuurmonumenten schonk.

Vlak over de Nederlandse grens ligt, in de buurt van Altstätte, de Haarmühle, een 17e-eeuwse watermolen. De Haarmühle is mede door de aanwezigheid van een restaurant met een groot terras en speeltuin een veel bezochte onderslagwatermolen. De idyllische ligging draagt ook veel bij aan de populariteit van dit fraaie complex waarvan al in 1188 wordt vermeld dat de ‘Harremole’ tot het bezit van de Grafen von Dale behoorde. Het huidige gebouw dateert van 1619 en werd volgens de huissteen in 1721 vernieuwd. De molen ligt aan de rand van het beschermde natuurgebied het Witte Venn.

Over slingerende wegen en paden bereik je het klompendorp Wessum. In de jaren dertig van de 20e eeuw waren vele Wessumers werkzaam in de klompenindustrie. In de klompenmakerij van de familie Berning worden nog steeds op ambachtelijke wijze klompen gemaakt (Schüttenfeld 22).

De imposante waterburcht Schloss Ahaus vormt het middelpunt van het meer dan 900 jaar oude stadje. Het streng symmetrische barokke slot werd aan het einde van de 17e eeuw gebouwd als zomerresidentie van de bisschoppen van Münster. Een fraaie blik biedt de Schloßtrasse die via de hoofdpoort, de slotbrug en triomfboog naar de hoofdingang loopt. Woest ogende leeuwen sieren de hoofdingang. Zowel de vorstenzaal en de orangerie met beeldhouwwerken van de beeldhouwer J.W. Gröninger, als ook het poortgebouw – Torhausmuseum – en het schoolmuseum kunnen worden bezichtigd (Oldenkottenplatz. Apr.-sept. di.-vr. 10-12, za., zo. 14-17; okt.-mrt. za., zo. 14-17 uur).

Tussen Ahaus en Asbeck staat, aan de oevers van de Dinkel, de Düstermühle, een van de oudste molens van Münsterland.

De huizen, sommige met vakwerk, de kerk en de waterput op het pleintje ervoor, geven de indruk, dat de klok in Asbeck de laatste honderd jaar heeft stil gestaan. De geschiedenis van het dorpje is nauw verbonden met het klooster dat hier in de 12e eeuw gesticht werd en dat vanaf 1173 een vrouwenklooster werd. In 1805 werd het klooster opgeheven en in de loop van de tijd werd een groot deel van het kloostercomplex afgebroken. Dankzij een ingrijpend herstelplan bleven enkele sporen van het kloosterverleden behouden. Een rondwandeling door Asbeck voert je onder meer langs het Dormitorium, de Romaanse heiligenbeeldengalerij, het abdissenhuis, de Hunnenporte en de St. Margarethakerk.

Dahliateelt is een belangrijke bron van inkomsten voor Legden. Rond de plaats liggen velden met dahlia’s in vele kleuren en eens in de drie jaar wordt in september het dahliacorso gehouden. De romaanse St. Brigidakerk beheerst de aanblik van Legden. De dubbele torens werden echter pas in 1906 gebouwd. Speciale aandacht verdient het middelste koorvenster (13e eeuw).

Buiten Legden ligt het Dörf Münsterland (Haidkamp 1), dat tot de populairste toeristische bestemmingen van de regio hoort. Het in traditioneel Münsterlandse stijl nagebouwde dorp is een bonte verzameling van hotels, restaurants, bars en discotheken.

Enkele kilometers ten westen van Legden is een routeverkorting mogelijk. Je gaat dan via Stadtlohn en Südlohn naar Oeding. Bij Oeding pik je de hoofdroute weer op.

In het oude stationsgebouw van Stadtlohn is het Spoorwegmuseum (Ladestraße 4. Apr.-okt. zo. 14.30-18 uur) gevestigd. Modelauto’s kunnen bezichtigd worden in het Siku Museum (Von-Ardenne-Straße 42. Ma.-do. 14-18, zo. 11-18 uur). In de Eschstrasse 31 is al sinds de 16e eeuw een pottenbakkerij gevestigd. Het bedevaartskerkje in de wijk Hilgenberg dateert uit de 15e eeuw.

Een wandeling door de oude stadskern met een bezoek aan de laatgotische St. Vituskerk is beslist de moeite waard. De kerk heeft bijzonder fraaie fresco’s en een rijk interieur.

Haus Lohn werd in 1795 gebouwd op de restanten van een oude burcht. Het huis is niet te bezichtigen.

Gescher presenteert zich als de ’Glockenstadt’. Al meer dan drie eeuwen worden hier klokken gegoten. In het Westfälische Glöckenmuseum (Lindenstraße 2. Di.-zo. 10-17 uur) wordt het vervaardigen van een klok stap voor stap getoond in een nagebouwde gieterij.

Aan de oostkant van het plaatsje ligt Schloß Velen dat omringd is door een brede slotgracht. Van de late middeleeuwen tot in de 19e eeuw is er voortdurend gebouwd aan het slot. De beroemde Westfaalse architect Konrad Schlaun gaf het slot in de 18e eeuw zijn huidige vorm.

Even buiten Velen ligt een artesische bron. Deze geldt als een geologische bijzonderheid. De bodem zuigt het heldere water van de bron als het ware naar boven. Bij goed weer kun je hier heerlijk pootjebaden.

Bij Velen kun je opnieuw een kortere route nemen. Deze routeverkorting brengt je naar Ramsdorf en Borken. Ten westen van Borken pik je – bij de recreatieplas Pröbstingsee – de hoofdroute weer op.

In het 15e-eeuwse kasteel Ramsdorf is het Museum Burg Ramsdorf (Burgplatz 4. Apr.-okt. di.-za. 15-17, zo. 14-17 uur) gevestigd dat de geschiedenis van Ramsdorf in het westelijke Münsterland laat zien. De vaste tentoonstelling geeft een goed beeld van de stad en de omgeving door de eeuwen heen, waaronder de landbouw en het landschap.

Tussen Ramsdorf en Borken liggen de Ramsdorfer Berge die rijk zijn aan grote en kleinere grafheuvels uit de Bronstijd.

Hoewel Borken tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest werd, biedt het bijna 800 jaar oude stadje nog een aantal bezienswaardigheden. In de binnenstad zijn de vijf stadstorens met resten van de 14e-eeuwse stadsmuur te vinden. In de 14e-eeuwse Heilige Geistkirche is het Stadsmuseum (Marktpassage 6. Di.-za. 15-18, zo. 10.30-17.30 uur) gevestigd dat alles verteld over de geschiedenis van het stadje. In de kelder is een tentoonstelling ingericht over moderne grafiek. Eén van de parels van de stad is de Waterburcht Gemen. Het complex is door de eeuwen heen gegroeid. Het herenhuis uit 1411 is aangevuld met barokstijlen. De buitencomplexen alsmede de woongedeeltes met de barokke Marienkerk (1719) zijn te bezichtigen. De St. Remigiuskerk dateert uit de 12e eeuw en de Johanneskerk werd tussen 1700 en 1777 gebouwd.

Tussen Velen en Groß Reken wordt het landschap heuvelachtiger. Vanaf de uitzichttoren op de Melchenberg aan de noordrand kijk je vanaf een hoogte van ruim 160 meter uit over het parkachtige landschap van Münsterland. In het centrum ligt de vroeggotische St. Simon en Judaskerk (12 eeuw) met een dubbel schip. In de kerk is een museum voor kerkelijke kunst (Hauptstraße. Apr.-okt. zo. 10-12 uur).

Even buiten het plaatsje staat de Rekener Turmwindmühle. In 1775 werd met de bouw begonnen en van 1805 tot 1945 was de molen in gebruik voor het malen van graan. Tegenwoordig is er het molenmuseum en een klein openluchtmuseum gevestigd (Mühlenberg 6. Mei-okt. zo. 14.30-18 uur).

Vanaf Groß Reken voert de route naar Heiden. Enkele kilometers voor dit dorpje kun je rechtsaf slaan het bos in. Deze weg voert naar de Düwelsteene, het meest zuidelijk gelegen hunebed van Europa. Via Marbeck met het bezienswaardige Huis Marbeck bereikt u Raesfeld.

Het complex van gebouwen dat het Schloß Raesfeld vormt, ligt aan de rand van het stadje. De oorspronkelijke 14e-eeuwse burcht werd in de loop van de 17e eeuw uitgebreid in opdracht van Alexander I von Velen. Blikvanger tot in de verre omgeving is de hoektoren met haar uivormig dak.

Via Burlo met het imposante Oblatenklooster Mariengarden en de 13e-eeuwse kloosterkerk, bereik je het grensplaatsje Oeding. Hier zijn de overblijfselen van de 14e-eeuwse Burg Oeding (toren en gewelven), de nieuwgotische Johanneskerk in de Krügerstrasse en de in jugendstil gebouwde Jacobskerk een kijkje waard. In de kasteeltoren van de burcht bevindt zich een hotel.

Bij Oeding passeer je de Duits-Nederlandse grens en rijd je door een fraai coulisselandschap naar Winterswijk. De Achterhoek, de naam zegt het al een beetje, is een van de meest afgelegen en daardoor landelijk gebleven streken van Nederland. Akkers en weilanden worden omsloten door houtwallen en bossen en kronkelende riviertjes slingeren door het landschap.

De gezellige binnenstad van Winterswijk vormt het winkelcentrum van de wijde omgeving. Van oudsher was Winterswijk een boerennederzetting, maar met de opkomst van de textielindustrie groeide het aantal inwoners. Winterswijk had aan het begin van de twintigste eeuw zeven textielfabrieken, waaronder de Batavier en de Tricotfabriek. Winterswijks meest historische straatje, de Lappenbrink, is ook in deze tijd ontstaan.

Op de markt staat de 15-eeuwse Jacobskerk met interessante muurschilderingen. In de zomermaanden kan de toren beklommen worden. In een oude boerderij is het Museum Freriks gevestigd met historische voorwerpen die betrekking hebben op het leven in de Oost-Achterhoek. Bij het museum is ook een kinderboerderij en heemtuin (Groenloseweg 86. Wo.-vr. 13.30, za. 10.30-16.30 uur).

Het oude stadje Bredevoort was vroeger het bestuurscentrum van het oostelijk deel van de huidige Achterhoek. In de middeleeuwen stond in Bredevoort een groot kasteel – op de plek waar nu het gebouw Boek op ‘t Zand staat – en op de voorburg ervan bouwden de adellijke borgmannen hun huizen. Zo ontstond Bredevoort in de middeleeuwen als ridderstadje. In de 17e en 18e eeuw was Bredevoort tevens een garnizoensstad.

Vele huizen van Bredevoort binnen het gebied van de beschermde historische stadskern dateren uit de 17e eeuw. Door drie grote rampen die het stadje troffen is de middeleeuwse bebouwing geheel verdwenen. Op de oude fundamenten werden weer huizen gebouwd voor de soldaten, de functionarissen en de ambachtslieden voor het garnizoen. In 1993 werd Bredevoort Boekenstad. Naast een groot aantal boekhandels en antiquariaten heeft Bredevoort een boekbindcentrum en een streekdocumentatiecentrum. In het stadje worden regelmatig boekenmarkten gehouden.

Museum Erve Kots is een openluchtmuseum met diverse boerderijen en gebouwen zoals een zogenaamde löshoesboerderij, waar mens en dier in één ruimte verbleven. Binnen bevinden zich onder andere een woonkeuken en een weefkamer. Buiten staan onder meer bakovens, een kolenbrandershut, een oliemolen, een bijenstal en een houtzagerij (Eimersweg 4. Dag. 10-17 uur). Tegenover Museum Erve Kots ligt Kaasboerderij Weenink Hier kun je zien hoe echte boerenzuivelproducten worden gemaakt. Kaasboerderij Weenink maakt nog steeds op traditionele wijze Goudse boerenkaas van rauwe melk (Eimersweg 3. Rondleiding dag. 11, 14, 16 uur).

Groenlo (Grol, Grolle) was in de 16e en 17e eeuw een sterke vesting, die als grensstad herhaal-de-lijk werd belegerd, vooral tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In 1597 werd de stad door Maurits van Nassau veroverd en in 1606 heroverd door de Spaan-se troepen onder Spinola. Het was uiteindelijk Frederik Hendrik die in 1627 de stad belegerde en heroverde op de Spanjaarden. In Groenlo zijn nog steeds bastions, grachten en kanonnen te vinden. De huidige omgrachting met de resterende wallen kwam tot stand tijdens het twaalfjarig bestand, toen de stad in Spaanse handen was. In het Stadsmuseum Groenlo staat de Tachtigjarige Oorlog centraal (Mattelierstraat 33. Mei-okt. di.-za. 10.30-16.30; nov.-apr. 13-16.30 uur). Maar bekender is Groenlo misschien wel als bakermat van Grolsch bier. Het Grolsch Brouwhuys De Lange Gang (Kevelderstraat 15. Rondleiding wo.-zo. 11-18 uur) toont de lange geschiedenis van de illustere biermerk, en natuurlijk kun je hier een pilsje drinken.

De wervelstorm die Borculo in 1925 met verwoestende kracht trof, is de ergste ramp die het stadje in zijn ruim 600-jarige bestaan is overkomen. Daarbij werd ook de robuuste kerk (15e eeuw) vrijwel geheel vernield en kon slechts een deel van het koor hersteld worden. Inmiddels is Borculo weer sfeervol, mede dankzij de Berkel. Ophaalbruggetjes en een schutsluis uit 1628 herinneren aan de tijd dat de Berkelschippers handel dreven met Zutphen en het Duitse stadje Vreden.

Het stadje herbergt twee musea: het Brandweer- en Stormrampenmuseum met brandweerauto’s, -spuiten, uniformstukken etc. (Hofstraat 5. Feb., mrt. di.-vr. 10-16, za.-ma. 14-16; apr.-nov. di.-za. 10-16, zo., ma. 14-16 uur) en het Kristalmuseum met fossielen, mineralen en edelstenen (Burg. Bloemersstraat 1. Apr.-sept. dag. 10-17; okt.-mrt. za., zo. 10-17 uur).

In Gelselaar is Museum Erve Brooks Niehof (Broekhuisdijk 5. Dag. 10-18.30 uur) gevestigd dat het leven van de boerenbevolking rond 1900 laat zien. Bij het museum is een pannenkoekenboerderij. Tussen Gelselaar en Diepenheim passeer je de Schipbeek. In de 17e eeuw had de beek een belangrijke functie als vaarverbinding naar Holland en naar de Hanzesteden Deventer, Zwolle, Kampen en Zutphen. Het hout voor de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, dat vanuit het Münsterland werd aangevoerd, werd vanuit Alstätte, waar de houtverkopers een laadplaats hadden ingericht, verscheept naar Holland. In latere tijden werd de Schipbeek gebruikt voor het vervoer van textiel vanuit Twente naar blekerijen in Haarlem. In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw werd de scheepvaart over de Schipbeek als gevolg van opkomst van vervoer over weg en spoor steeds kleinschaliger.

Diepenheim wordt omringd door vier kastelen en ligt in een fraai, door beken doorsneden parklandschap. In de historie van Diepenheim nemen vier kastelen - Huis te Diepenheim, Het Nijenhuis, Westerflier en Warmelo - en de bijbehorende landgoederen een voorname plaats in. De kastelen zijn nog steeds in particuliere handen en worden permanent bewoond. De omringende landgoederen zijn vrij toegankelijk.

De tuinen van kasteel Warmelo, die landelijk grote bekendheid genieten, zijn voor publiek opengesteld. Via een gemarkeerde wandeling maak je kennis met vier eeuwen tuinarchitectuur (Stedeke 11. Mei-sept. 10.30-16.30 uur).

Diepenheim is een centrum geworden van beeldende kunst. Jaarlijks haalt de Kunstvereniging Diepenheim gerenommeerde kunstenaars naar het ‘stedeke’ voor binnen- en buitenexposities. Het accent ligt op hedendaagse driedimensionale kunst.

Markelo, één van de oudste dorpen van Twente, ligt te midden van glooiende essen met karakteristieke boerderijen en eeuwenoude bossen. Centraal in het dorp staat de hervormde kerk met de uit de 12e eeuw daterende bakstenen toren. Markelo kent alleen deze kerk en dat is op zich al bijzonder, want dit is een van de weinige dorpen in Twente waar geen katholieke kerk is.

De ‘bergen’ rondom Markelo zijn al heel oud. Geologisch behoort de Markelose bodem tot de meest interessantste van ons land. Leem, zand en klei liggen er in afwisselende en golvende lagen van verschillende dikte en samenstelling en hebben al heel wat interessante vondsten opgeleverd. Met 48 meter boven NAP is de Herikerberg de hoogste ‘berg’. De heuvels ontstonden in de ijstijd en met het ijs werden ook talloze zwerfkeien naar ons land gebracht. Ze staan rond Markelo nu meestal als versiering rond de boerderijen.

Al in 1263 verwierf Goor stadsrechten en werd in de loop der tijden het bestuurscentrum van Twente. Doordat de Engelsman Thomas Ainsworth in 1833 in Goor de eerste weefschool stichtte, speelde dit stadje een hoofdrol in de Twentse textielindustrie. Het Goors Historisch Museum in het gerestaureerde waterstaatstation laat u er het een en ander van zien (Stationslaan 3. Di.-vr. 10-12, 13.30-16, wo. 13.30-16 uur).