Terpen, dijken en slikwerkers

Nederland, Friesland, Ferwerd

34
13
75
76
02
01
93
71
70
34
38
69
44
17
53
04
03
90
34

Oneindige luchten, weidse vergezichten en rust, dat is het Noord-Friese landschap ten voeten uit. Een landschap gevormd in een dialoog tussen mens en zee, in stand gehouden door noeste arbeid. Wat enkele eeuwen voor onze jaartelling begon met het opwerpen van terpen op aanslibbende kwelders, kreeg in de middeleeuwen zijn beslag door de aanleg van de eerste zeedijken – een kustverdediging waaraan tot op de dag van vandaag wordt gewerkt.
Deze fietstocht is een ode aan het lege landschap van de Waddenkust, bezaaid met kloeke kop-hals-rompboerderijen met kenmerkende uilenborden, aan de fraaie dijkdorpen – en aan de wrotters, de ploeteraars die deze ‘zee aan ruimte’ uit de klauwen van de waterwolf hielden.

Startpunt: vanaf de parkeerplaats bij de sporthal rechtsaf op de Hegebeintumerdyk. Je fietst nu direct op de route naar knooppunt 13; het is niet nodig om eerst terug te gaan naar 34.

Tip: Fiets deze route via de gratis ANWB Eropuit app. Zoek de route in de app via de filters. Onderweg zie je op het kaartje waar je bent, zo kun je niet verdwalen.

• Tussen knooppunt 69 en 44 gaat de route over een zeer smal fietspad. Pas je snelheid aan, houd rekening met tegenliggers en ga achter elkaar fietsen.

De bekende terp van Hegebeintum is met 8,80 m boven NAP de hoogste terp van Nederland. Vanaf het opwerpen rond 500 v.Chr. werd de woonheuvel eeuwenlang opgehoogd met zoden, mest en huisafval tot een omvang van 300 m doorsnede. Zo bleven kerk, begraafplaats en huizen gespaard voor het wassende water dat de heuvel regelmatig omspoelde. Nadat in de middeleeuwen de eerste zeedijken werden aangelegd verloren de terpen steeds meer hun functie. Toch duurde het nog tot eind 19e eeuw voor men ontdekte dat terpaarde zeer vruchtbaar en dus waardevol was. Tussen 1904 en 1909 werd ook de Hegebeintumer terp verkocht en deels afgegraven. Daarbij werden verschillende vondsten gedaan, met als hoogtepunten de ‘terpdame’ uit een vroeg-middeleeuws grafveld en een 7e-eeuwse mantelspeld, beide in het bezit van het Fries Museum.
De tufstenen kerk bovenop de terp bevat oorspronkelijke delen uit de 11e of 12e eeuw. Binnen bevindt zich boven de preekstoel nog een fragment van een Romaanse muurschildering uit die periode, de oudste van Friesland. Verder staat er een met heraldiek en leeuwen gedecoreerde herenbank van de bewoners van de Harstastate, de op een steenworp afstand gelegen stins. Aan de wand hangen 18e-eeuwse rouwborden – een van de mooiste collecties in Nederland. Op de rijkversierde herdenkingsborden voor overleden bewoners van de Harstastate staan adellijke namen als Van Nijsten, Van Coehoorn en Van Andringa de Kempenaer.
Vanaf april 2021 zijn in het nieuw gebouwde Kennis- en Informatiecentrum Terp Hegebeintum een expositie over het terpenland en archeologische vondsten te zien. Ook starten hier rondleidingen naar de terp en de kerk (www.hegebeintum.info).

Ga bij knooppunt 13 even de oprijlaan in, stap af en loop een rondje om de buitensingel van deze omgrachte state. De rijke heren die hier woonden, drukten ook hun stempel op het kerkje van Hegebeintum. De vroegste vermelding van het adellijke huis stamt uit 1511. Eind 17e eeuw was de buitenplaats in het bezit van de broer van Menno van Coehoorn, de bekende vestingbouwer. Rond 1843 kreeg de buitenplaats zijn huidige vorm, waarbij een zijvleugel werd afgebroken en het hoofdgebouw werd verlaagd. Binnen is in de zaal echter de sierlijke, oorspronkelijke houten betimmering uit 1790 bewaard gebleven. Begin 19e eeuw werd door de bekende tuinarchitect L.P. Roodbaard een romantische Engelse landschapstuin aangelegd – geheel naar de smaak van die tijd. De tuin werd voorzien van stinsenplanten, exotische voorjaarsbloeiers als Italiaanse aronskelk en blauwe anemoon. Ook het sneeuwklokje ontbreekt niet.

Nu slechts het volgende kleine terpdorp in de luwte van de zeedijk, maar tussen 1901 en 1940 was Station Blija (Fries: Blije) een halte van het ‘Dokkumer Lokaaltje’. Op weg naar knooppunt 75 kruis je een onbeveiligde overgang, zoals die langs de gehele voormalige spoorlijn Leeuwarden-Anjum voorkwamen. De lijn van de Noord-Friesche Locaal-Spoorwegmaatschappij (NFLS) werd indertijd druk gebruikt, het laatste traject voor het goederenvervoer werd zelfs pas in 1997 opgeheven. Voor het reizigersvervoer viel het doek echter al in 1940 door de opkomst van het busvervoer. Wijk in Blija even van de route af om het oude stationsgebouwtje te bekijken (in het dorp rechtsaf, langs de kerk).
Van dezelfde spoorlijn passeer je aan het einde van de route ook nog het voormalige station van Marrum, herkenbaar aan een oude stoomlocomotief (‘Pannenkoekentrein’).

Het oorspronkelijke kweldergebied, waar de vroege terpdorpen als parels aan een snoer op de kwelderwal waren verrezen, werd vanaf de 11e of 12e eeuw bedijkt. Als grootste landbezitters van die tijd speelden de kloosters een grote rol bij het bedijken, draineren en in cultuur brengen van het land. Immers: het na een overstroming achtergebleven zout bedierf de oogst – en land zonder opbrengst was waardeloos. Bestaande dijkjes werden daarom aaneengeknoopt tot de eerste – lage – zeewering. Doordat er door de eeuwen heen voldoende landaanwas had plaatsgevonden om stukken kwelder te bedijken, werd in de 13e eeuw een nieuwe, noordelijker gelegen dijk gebouwd, de Alddyk of Goadyk. Deze vormde de basis van de huidige zeedijk.
Om de band te versterken tussen de moderne mens achter de hoge zeedijk en zijn oorsprong als terpbewoner initieerde Dorpsbelang Blija, in samenwerking met It Fryske Gea, het kunstproject ‘Terp van de Toekomst’. Hier in het kwelderland verrijst een spiraalvormige terp die je vanaf 2022 kunt bestijgen, zodat je het Waddenlandschap van nabij kunt ervaren. Maar ook op de fiets kun je vanaf het buitendijkse pad genieten van de kwelders en slikvelden. En van de vele broed- en trekvogels, voor wie dit het hele jaar door een belangrijk voedselgebied is.
Terug naar de Zeedijk. Sinds 1993 is die op deltahoogte, oftewel berekend op een zware stormvloed zoals die eens per vierduizend jaar voorkomt. Als sluitstuk verrees de Dijktempel, een kunstwerk van Ids Willemsma met een knipoog naar de Romeinse tijd en een hedendaags groen sedumdak. Het is de perfecte plek om de weidsheid van het natuurgebied Noard-Fryslân Bûtendyks in je op te nemen. En om een wandelingetje te maken naar de Ozingadobbe, ook bekend als de ‘paardendobbe’. Deze verhoogde drinkplaats voor het vee haalde in 2006 het nieuws met de ontroerende reddingsactie van tweehonderd paarden die hier dagenlang door hoogwater waren ingesloten.

Even voor knooppunt 93 passeer je het futuristisch ogende zeegemaal De Heining (2018), dat de uitwatering verzorgt van de Friese boezem op de Waddenzee. De indrukwekkende vijzelpomp is ‘visvriendelijk’: zelfs grotere trekvissen kunnen de doorlaat zonder averij passeren. En andersom kunnen jonge glasalen uit zee hier tegen een zoete lokstroom opzwemmen, om via een vispassage met ‘wachtruimte’ in het gemaal hun zoetwaterbestemming te bereiken – vernuftig!
De uitstroom van het gemaal loopt via een slenk door het Noarderleech, ooit de monding van de Middelzee. Deze zeearm vormde de scheiding tussen de Friese streken Westergo en Oostergo, maar slibde rond 1200 dicht, wat de bedijking vergemakkelijkte. Het verklaart ook de ‘knik’ die hier in de Zeedijk zit.
Het Noarderleech is nu onderdeel van natuurgebied Noard-Fryslân Bûtendyks, dat met 2000 hectare het grootste aaneengesloten kweldergebied van Europa is. Deze unieke biotoop aan de rand van het wad met zijn gespecialiseerde flora en fauna is een onmisbare rustplaats voor vele trekvogels. Een kilometer verderop ligt het Kweldercentrum Noarderleech, het onbemande bezoekerscentrum van beheerder It Fryske Gea voor dit buitendijkse gebied. Binnen vind je een interactieve expositie die je buiten meer laat zien en te beleven. Ook start hier een wandelroute door het kweldergebied (dag. 8.30-17.30 uur, www.itfryskegea.nl).

* Alternatief: als je de Zeedijk even voor gezien houdt, kun je 1 km na het Kweldercentrum bij knooppunt 71 even van de route afbuigen. Ga linksaf (richting 69) en bij de eerstvolgende viersprong in Nieuwebildtzijl rechtsaf; volg de Nieuwe Bildtdijk. Aan het eind pak je bij Zwarte Haan en knooppunt 70 de route weer op.

Ongemerkt zijn we een ‘grens’ overgegaan: van de vroegere ‘grietenij’ (voorloper van de gemeente) Ferwerderadeel naar Het Bildt. Op de dijk bij de buurtschap Zwarte Haan worden met het beeld van De Slikwerker de mannen geëerd die Het Bildt hebben drooggelegd. De naam Het Bildt verwijst ook naar de manier waarop het land hier ontstaan is: ‘opgebild’ betekent aangeslibt. Het gebied werd in de middeleeuwen ingepolderd door (Zuid-)Hollanders, die hun stempel op de taal drukten. Men spreekt hier dan ook Bildts, dat als mengtaal van het Middel(eeuws)nederlands en het Fries wezenlijk verschilt van het Fries.
De Kouwe Faart zorgt voor de afwatering van de vruchtbare zeeklei van Het Bildt, dat in de 18e eeuw bekend stond als de graanschuur van Nederland. Tegenwoordig zie je hier vooral pootaardappelen, uien en suikerbieten. Via het Miedemagemaal bij de dijk watert de vaart uit in een fraaie kreek op het Wad, te zien vanaf het vogelkijkpunt op de dijk. Ooit was hier bij Zwarte Haan een veerdienst naar Ameland, wat ook de generatieslange aanwezigheid van de herberg onderaan de dijk verklaart.

Vanaf knooppunt 34 gaat de route over de Oudebildtdijk. Deze zeepolderdijk werd vanaf 1505 aangelegd toen hertog Albrecht van Saksen de buitendijkse Bildtlanden liet inpolderen. Het gewonnen land werd vervolgens aan boeren verpacht. De onderhandelingen tussen de hertog en het klooster Mariëngaarde – voor de inpoldering een van de gebruikers van het buitendijkse land – verliepen stroef. Pas toen Het Bildt eigendom van Karel V was geworden kwam het in 1519 tot een akkoord. Het klooster kreeg 116 morgen (ca. 100 ha) land in eigendom, maar moest daarvoor het stuk dijk tussen de ‘Nije Leieslûs’ en de aansluiting op de Alddyk (nu de Vijfhuisterdijk) onderhouden.
Rond de in 1505 door de hertog bekostigde nieuwe uitwateringssluis ontstond een dorp, dat honderd jaar later door de aanleg van een verderop gelegen nieuwere zijl (sluis) werd omgedoopt tot Oudebildtzijl, of Ouwe-Syl in het Bildts. Op de hoek bij de sluis staat al sinds 1664 een herberg. Naast de markante Julianakerk vind je de Aerden Plaats, met een Archeologisch Steunpunt over de inpoldering van Het Bildt, kunstexposities, een vlindertuin en een theeschenkerij.

Vanaf knooppunt 17 fiets je tot aan Westernijtsjerk ongemerkt over een middeleeuwse zeedijk. Op reliëfkaarten van het gebied is te zien dat de Hege Hearewei op een verhoging in het landschap ligt. Dit maakt het, samen met schaarse dijksporen en andere aanwijzingen, aannemelijk dat hier rond 1200 de eerste ‘echte’ waterkering lag. Deze oude dijk had alleen bij Ferwerd aansluiting op de dorpsterp. Verder liep de dijk parallel aan de kwelderwal waarop vanaf ca. 600 v.Chr. de terpdorpen keurig op een rijtje waren ontstaan: Feinsum, Hijum, Marrum, Ferwerd, Blija en Holwerd.
Een gedeelte van de dijk draagt een andere naam: Mariëngaarderweg. Op nummer 45 bevond zich ooit het klooster Mariëngaarde, in 1163 gesticht als het eerste norbertijner klooster in Friesland. Het blauw-gele infobord vertelt er meer over. Van het klooster is niets meer te zien, dat is na de reformatie van 1580 in verval geraakt en gesloopt. Op de restanten van de half afgegraven kloosterterp staat nu een boerderij, maar het terrein geniet wel een beschermde status als archeologisch monument. Op de oprijlaan staat een klein herdenkingsmuurtje.

Zoals eerder vermeld, passeer je bij Marrum nog een voormalig station van de spoorlijn het ‘Dokkumer Lokaaltje‘, herkenbaar aan een grote stoomlocomotief (‘Pannenkoekentrein’).

Bij het binnenrijden van Ferwerd passeer je meteen de voormalige oprijlaan van de Herjuwsmastate, te herkennen aan twee cortenstalen ‘poortzuilen’ en een bronzen beeld van de edelman Gemme van Burmania. Hij woonde in het kasteeltje dat hier tot 1820 op een terp stond. Volgens overlevering weigerde hij in 1555 bij de inhuldiging van Philips II in Brussel te knielen voor zijn koning. Met zijn uitspraak “Wy Friezen knibbelje allinne foar God” werd hij het symbool van de stânfries, de standvastige Fries.
Wijk in Ferwerd even van de route af door aan het eind van de Foswerterstrjitte linksaf te slaan en aan het einde, bij het café en het oude raadhuis met de klok, rechtsaf. De centrumfunctie die het dorp in de middeleeuwen had wordt weerspiegeld door het Vrijhof, het pittoreske pleintje aan de voet van de kerkterp. Dit voorhof behoorde tot het grondgebied van de kerk en viel daarmee buiten het wereldlijk gezag – letterlijk een ‘vrijplaats’. Het is een van de weinige vrij(t)hoven die in ons land bewaard zijn gebleven. De poort in de linkerhoek van het plein leidt naar de terp met de Sint Martinuskerk en het kerkhof, dat omzoomd wordt door bordjes met regionale grafgedichten. Het oudste gedicht verklapt dat Iepe Pitters, overleden op 11 mei 1700, begraven ligt met twee vrouwen. Het hoge huis op Vrijhof 5 was van 1580 tot 1723 de pastorie en vervolgens tot 1840 het Grietenijhuis (raadhuis). Gezellige winkeltjes en een café completeren het beschermde dorpsgezicht.