Legmeerroute

Nederland, Noord-Holland, Uithoorn

31
30
11
35
79
34
19
18
06
07
25
26
27
31

Een route met sterke Groene Hart-kenmerken: malse weilanden, grazende koeien, bloemrijke sloten, hoge veendijken, kronkelige riviertjes, rietkragen en veenplassen. Wel is de tuinbouw vanuit Aalsmeer bezig aan een flinke opmars. Nu de tuinder dankzij moderne technieken niet meer afhankelijk is van het seizoen en de ondergrond, dringen de kassen steeds verder op. Opvallend zijn verder de hoogteverschillen tussen het waterniveau in plassen en kanalen en de veel dieper gelegen droogmakerijen.

NB: tussen knooppunt 11 en 35 gaat de route over een smal, halfverhard jaagpad, waar u ook tegenliggers tegen kunt komen.

Vanwege de strategische ligging kreeg Uithoorn in de 17e eeuw zijn eerste versterkingen. Dat verklaart de straatnaam Schans bij knoop­punt 31. Net buiten de bebouwde kom werd in 1911 Fort aan de Drecht opgeleverd. Het maakte deel uit van de Stelling van Amsterdam, een ver­dedigingslinie van forten, dijken en kanalen die tussen 1880 en 1920 rond de hoofdstad werd aangelegd. Als de vijand oprukte, kon een brede strook grond onder water worden gezet. Een serie van 42 forten verde­digde de hogere en zwakkere delen in deze waterlinie. In het fort wor­den nu diverse activiteiten georganiseerd.

De route volgt zo’n 8 km het jaagpad langs het Amstel-Drecht­kanaal. Dit kanaal werd rond 1825 gegraven om schepen een betere vaarweg tussen Rotterdam en Am­ster­dam te geven. Daarbij werd ge­bruikgemaakt van de oude bedding van het veenriviertje de Drecht. Aan het begin van het kanaal, bij de overgang naar het Aarkanaal, kwam een sluis met twee kolken. Via deze Tolhuissluis konden schepen het hoogteverschil tussen de beide wa­teren (10 tot 30 cm) overbruggen.

In de 17e eeuw bloeide de econo­mie en ontstond er een enorme honger naar turf (gedroogd veen) als brandstof voor ambacht, indus­trie en huishoudens. De weilanden en akkers werden afgegraven en la­ter werd er ook tot ver onder de wa­terspiegel veen opgebaggerd. Zo ontstonden enorme plassen, zoals de Langeraarse Plassen en de West­einderplassen. Bij storm zorgde de golfslag er bovendien voor dat aan de oevers steeds weer stukken wer­den weggeslagen.

De Leidse Vaart ligt duidelijk een paar meter hoger dan de omlig­gende weidegronden. Dat zijn dan ook droogmakerijen, veenplassen die met behulp van windmolens zijn drooggemalen. Na het droog­vallen werd de bodem geschikt ge­maakt voor landbouw. Links ligt de Vierambachtspolder, waar na droogmaking in 1744 resten van het verdronken dorp Jacobswoude te­voorschijn kwamen. Rechts ligt de Wassenaarse Polder (1666) en daar weer achter de Zuider-Legmeerpol­der (1883).

De eilandjes aan de andere kant van de Westeinderplassen zijn res­tanten van het oorspronkelijke veengebied. Net als de plassen zelf zijn de eilanden nu vooral ingericht voor water- en dagrecreatie. Langs de oevers bevinden zich tientallen jachthavens, onder meer bij Kudel­staart. Even voorbij Kudelstaart maakt de weg een bocht rond het Fort bij Kudelstaart, dat ook deel uitmaakte van de Stelling van Am­sterdam.

Bij de aanleg van de nieuw­bouwwijk van Uithoorn is het Zij­delmeer gespaard gebleven, een van de oudste veenwateren in de regio. Het Zijdelmeer laat nog iets zien van het oorspronkelijke landschap. Op het eilandje aan de overkant loopt een wandelroute.