Flevoland van kust tot kust

Nederland, Flevoland

De provincie Flevoland bestaat uit twee polders: de Noordoostpolder en de Flevopolder. Beide ontstaan bij de drooglegging van delen van de voormalige Zuiderzee. Waar ooit de golven van de Zuiderzee klotsten, werd tussen 1942 en 1968 een heel nieuw land aangelegd. Sindsdien beschermen hoge dijken een weids landschap van graslanden, akkers en bossen. Stap op de fiets en verken Flevoland van kust tot kust. En ontdek welke verrassingen dit nieuwe land in petto heeft.

E-bikeroute
Vanwege de lengte van de route is deze ook geschikt voor elektrische fietsen. In dat geval zal de route ongeveer 2,5 uur duren.
Tussen knooppunt 85 en 06 bevinden zich enkele scherpe bochten, houdt hier rekening mee met uw snelheid.

29
23
24
25
46
47
45
08
20
23
24
25
26
27
92
91
59
88
87
86
85
84
82
51
53
54
56
63
64
03
02
06
01
35
29

Het grootste kunstmatige eiland ter wereld? Dat ligt in Nederland en draagt de naam Flevopolder. Het eiland is 970 km2 groot en werd tussen 1950 en 1968 in twee fases aangelegd. De ingenieurs hadden een goede reden om de nieuwe polder de vorm van een eiland te geven. De eerder aangelegde Noordoostpolder (1942) zat nog vast aan het oude land, maar dat bleek geen succes: het oude land verdroogde doordat grondwater naar de laaggelegen nieuwe polder stroomde. Zulke problemen doen zich bij een eiland niet voor. Een smalle strook water, bekend als de Randmeren, scheidt de Flevopolder van het vasteland. Deze meren vormen nu een prachtig recreatiegebied voor zwemmers, surfers en zeilers. Het meer achter de hoge dijk heet het Wolderwijd, een naam die verzonnen is door de schrijver Godfried Bomans (hij was lid van de naamgevingscommissie van Zuidelijk Flevoland). De eilandjes in het Wolderwijd zijn vooral bedoeld voor de natuur.

De wilgenbosjes, graslanden en rietlanden rechts van de dijk horen bij natuurgebied Harderbroek. Het is een nat paradijs voor moerasvogels als rietgors, blauwborst, roerdomp, kleine karekiet en de zeldzame roerdomp alleen een diep whoemp verraadt op stille avonden zijn aanwezigheid. Stop voor een mooi uitzicht bij de Biezenburcht, een markant gebouwtje langs de dijk. Een trap leidt naar een uitzichtplatform; ’s middags is er bovendien verse koffie.

De ruim 23 km lange Knardijk doorsnijdt de Flevopolder van kust tot kust. Ruim tien jaar lang was dit de buitendijk van Oostelijk Flevoland (rechts). Nadat ook Zuidelijk Flevoland (links) was drooggevallen, fungeerde de Knardijk als slaperdijk: bij een eventuele overstroming moest deze dijk de andere helft van de Flevopolder droog houden en dat is geen overbodige luxe als je bedenkt dat de bodem zo’n 5 tot 6 m beneden de zeespiegel ligt. Op twee plekken wordt de Knardijk doorsneden door een vaart. Hier staan sluizen met zware schuiven die in geval van nood kunnen worden gesloten. De naam Knardijk verwijst naar de Knar, een zandrug die al in de middensteentijd (ca 10.500 v.Chr.) werd bewoond. In de loop van de middeleeuwen nam de Zuiderzee bezit van dit gebied en werd de Knar een bij schippers beruchte ondiepte.

Je moet het weten, anders fiets je er zo voorbij: de lage dijk bij de Vogelweg is een restant van de Knarhaven, een werkhaven uit de tijd van de drooglegging. Hier werden per schip materialen aangevoerd voor de aanleg van de 90 km lange ringdijk rond Oostelijk Flevoland. Dat was een megaklus: eerst werd de slappe ondergrond weggebaggerd en verstevigd, daarna werden parallel aan elkaar twee kleidammen gestort. De tussenruimte werd met zand gevuld, waarna de dijk met zinkstukken van wilgentenen, basaltblokken, beton en asfalt verder werd verstevigd. Nadat de hele ringdijk was gesloten, kon het leegpompen van de polder beginnen.

Niet alles in de nieuwe polder is gepland. Het Wilgenreservaat links van de dijk ontstond spontaan na de drooglegging. Miljoenen wilgenzaadjes, afkomstig van de wilgentakken waarmee eerder de dijken waren verstevigd, kwamen op het natte slik terecht. Ze groeiden uit tot een ruig bos waar de natuur helemaal haar eigen gang mag gaan. Volg het wandelpad om een kijkje in deze wilgenwildernis te nemen.

Al van verre is de Tong van Lucifer te zien, een creatie uit 1993 van kunstenaar Ruud van de Wint (1942- 2006). Het werk bestaat uit een stalen korfconstructie omwikkeld met koperdraad. Door oxidatie van het koper ontstond de kenmerkende groene kleur. Bij het verzinnen van de naam liet Van de Wint zich inspireren door de vorm: hij vond dat het kunstwerk wel wat leek op de tong van Lucifer (de gevallen engel, de latere duivel), die uitdagend naar de hemel wijst. Hij hoopte dat de bliksem zijn kunstwerk zou treffen en vervormen, maar zo ver is het nooit gekomen.

Het Oostvaardersveld fungeert als een soort etalage van de Oostvaardersplassen (zie knooppunt 8). De Oostvaardersplassen zelf zijn nauwelijks toegankelijk, maar in dit natuurgebied zijn fietsers en wandelaars welkom. Paden slingeren langs plassen, rietlanden, bosschages en vogelkijkhutten – een soort Oostvaardersplassen in het klein dus. Met wat geluk laten ook konikpaarden, edelherten en heckrunderen zich hier zien, want zij kunnen via een doorgang in de spoordijk dit gebied bereiken. Voor het mooiste uitzicht fiets je bij knooppunt 20 links een stukje de Praamweg in.

Bij Buitencentrum Oostvaardersplassen leer je nog veel meer over de Oostvaardersplassen, een ongerept natuurgebied dat spontaan ontstond na de aanleg van Zuidelijk Flevoland – zo moet Nederland er een paar duizend jaar geleden hebben uitgezien. Grofweg bestaat het natuurgebied uit een nat en een droog gedeelte. Vanaf het horecaterras van het bezoekerscentrum kijk je, onder het genot van een kopje koffie, uit over kabbelende golven en ruisend riet. Voor het droge gedeelte volg je de wandelpaden naar enkele observatiehutten. Daarachter beginnen eindeloze graslanden waar de heckrunderen indruk maken met hun enorme horens en waar bronstige edelherten in het najaar vechten om de vrouwtjes.

De Knardijk eindigt bij het Markermeer. Het was de bedoeling dat ook dit meer zou worden dooggelegd, maar deze plannen zijn nooit doorgegaan. Wel wordt hier sinds 2016 gewerkt aan een kleinschaliger project: de Marker Wadden. Schuin rechts, achter de horizon, worden vijf eilanden opgespoten. Ze zijn vooral bedoeld voor natuurontwikkeling, maar op het hoofdeiland komt ook ruimte voor recreatie.

De stenen barakken links van knooppunt 25 zijn de oudste huizen van Oostelijk Flevoland. Ze staan op het Werkeiland Lelystad, een eiland dat in 1950 midden in het IJsselmeer werd aangelegd. Het was de eerste stap in de aanleg van Oostelijk Flevoland. Op het eiland verrezen opslagloodsen,een keuken en houten barakken voor de arbeiders en hun gezinnen. In 1952 en 1953 werden de woonbarakken vervangen door de stenen huizen die er nu nog staan. Vanaf dit werkeiland – en vanaf eilanden bij Elburg en Harderwijk (de Harderhaven, startpunt van deze fietsroute) werd door tweeduizend arbeiders zes jaar lang aan de ringdijk gewerkt.

Op 13 september 1956, slechts enkele uren na het sluiten van de ringdijk, stelde koningin Juliana de pompen van Gemaal Wortman in werking. Samen met twee andere gemalen, waaronder gemaal Lovink (zie knooppunt 19), werd de nieuwe polder in negen maanden drooggemalen. Daarna duurde het nog enkele jaren voordat de vroegere zeebodem geschikt was voor gebruik.

In de Hollandse Hout wacht een heel ander landschap: geen eindeloze akkers en weidse luchten meer, maar de beschutting van een dicht bos.De eerste bomen werden in 1972 en 1973 aangeplant. Dat waren snelle groeiers als populieren, wilgen en elzen. Later werden langzame groeiers als eiken en beuken toegevoegd. En nog altijd is het bos niet af: de laatste jaren is gewerkt aan een serie waterpartijen met natuurvriendelijke oevers, bekend als de ‘slenk’. Zo moet er meer ruimte voor natuur en recreatie ontstaan. Misschien weten zelfs edelherten binnenkort de weg naar het bos te vinden.

Links liggen de buitenste wijken van Lelystad, sinds 1986 de hoofdstad van de provincie Flevoland. In 1964 werd begonnen met het opspuiten van zand voor de nieuw te bouwen stad, de eerste bewoners arriveerden in september 1967. Maar veel animo was er niet: de verbindingen met het oude land waren slecht en er was veel onzekerheid over de aanleg van de Markerwaard. Bovendien werd Lelystad in de jaren 80 overvleugeld door Almere. De omslag kwam in de jaren 90: architecten van naam werden ingeschakeld om de stad een eigen identiteit te geven en ‘oude’ wijken werden geherstructureerd. Inmiddels telt Lelystad circa 77.000 inwoners nog altijd aanzienlijk minder dan de 100.000 die ooit in de plannen werden genoemd.

Flevoland zit vol verrassingen. Zoals Natuurpark Lelystad, waar in grote omheinde terreinen dieren als eland, otter, bever, wisent, przewalskipaard en Pater-Davidshert leven. Bordjes wijzen de weg naar de verschillende dieren of haal een plattegrond in het bezoekerscentrum (met horeca). Wandel achter het bezoekerscentrum ook even naar een nagebouwd prehistorisch dorpje uit de tijd van de Swifterbantcultuur, genaamd Swifterkamp.

Overal in de Flevopolder duiken ze op: manshoge palen met daarop een rood zeilschip. Ze markeren de honderden scheepswrakken die bij de drooglegging boven water kwamen. Ook links van de Meerkoetenweg staat zo’n paal. In het veld daarachter ligt het wrak van een waterschip, een vissersboot met een groot ruim waarin de vis levend werd bewaard. Het wrak is afgedekt om uitdroging te voorkomen.

Het fietspad slingert door een smalle strook bos met links daarvan de Larservaart, een van de vele vaarten en sloten die het overtollige polderwater afvoeren. Het bos zit vol vogels, amfibieën en zelfs bevers dit is dan ook een belangrijke ecologische verbindingszone tussen de bossen van Lelystad en de Randmeren. De plas naast het fietspad ter hoogte van Lelystad Airport is speciaal voor bevers aangelegd.

Nu vullen vakantiehuizen, ligweides, strandjes en wandelpaden het Larserbos, maar oorspronkelijk was hier het dorp Larsen gepland. Oostelijk Flevoland zou namelijk dezelfde indeling krijgen als de Noordoostpolder: één middelgrote kern met daaromheen kleinere dorpen op fietsafstand. Maar toen de polder eenmaal klaar was, had de auto de fiets als belangrijkste vervoermiddel verdrongen en was er geen behoefte meer aan het dorp.

Het Harderbos is jong, maar oogt als een oerbos: overal liggen omgevallen bomen, de meeste bedekt met een dikke laag mos. Soms doemt een Schotse hooglander op, die met zijn ruige uiterlijk prima past in dit sprookjesbos. 

Terug bij de Randmeren vormt Gemaal Lovink een waardige afsluiting van deze route: het is het kleinste van de drie gemalen waarmee Oostelijk Flevoland is drooggemalen. De voormalige zeebodem achter de dijk ligt 5,2 m beneden NAP. De schutsluis naast het gemaal, genaamd De Blauwe Dromer, is bedoeld voor watersporters, die hier op hun beurt aan een tocht dwars door de Flevopolder kunnen beginnen.