Wielewalen bij Lauwersoog

Nederland, Groningen, Lauwersoog

Dat de zeearend sinds enkele jaren in het Nationaal Park Lauwersmeer broedt is vrij bekend. Minder bekend is dat de schuwe wielewaal de wandelaar hier verrast met zijn exotische liedje. Natuurliefhebbers zullen genieten van de in het struweel verscholen paden. Verrekijker mee, natuur- en vogelgids in de rugzak! Want het valt niet mee om de egelantier te onderscheiden van de duinroos. En wat zingt daar in het riet? Is dat de rietzanger of de rietgors?

 

N.B. Bij deze route kun je de witte bordjes volgen tot aan de voetgangersbrug (dat is na ca. 7 km).

A. Van de P terug naar de N361, weg oversteken en bij P24718/Y13742 de witte route naar rechts (zuiden) volgen. Bij P24719 de brede zandweg volgen, naar het volgende witte paaltje. Neem hier het graspad. Bij P24720 ra, schietterrein op via fietspad. Na grindbak op fietspad ra.

B. Bij voetgangersbrug rd, volg de Waddenwandeling nr 41  tot aan de dijk en sla la. Bij Y8628 de N361 oversteken, groene route volgen.

C. Op splitsing waar de witte route erbij komt ra, witte route terug naar P (let op bordje kan wat verscholen staan!).

Qua zangvogels is het Marnebos een regelrecht genot, maar qua ‘nationaal-park-gevoel’ is er wel wat op aan te merken. Dat klopt bij zorgvuldige bestudering van de kaart ook, want het bos is van Defensie en valt net buiten het park. Het begint met korte stukjes fietspad, een zandpad en een graspad langs de bosrand. De grijsgroene duindoorns met hun stekels zijn flink uit de kluiten gewassen, evenals de bomen en het riet. Vroeg op stap gaan is het devies, want vooral ’s morgens vroeg is het vogelgezang oorverdovend. Toch valt het duu-de-lio van de wielewaal tussen al het gekwetter makkelijk op omdat het zo exotisch klinkt.
 

Tropische wielewaal
De wielewaal is van tropische afkomst, vandaar zijn felgele kleur. Om zijn territorium af te bakenen zingt hij hartstochtelijk en de balts duurt soms wel zeven dagen. Het vrouwtje vliegt af en aan met gras, riet, mos, veren, schaapswol en boomschors om een nest te bouwen. Het mannetje houdt de vorderingen luid zingend scherp in de gaten. Dan is het tijd voor eieren: er is meestal maar één legsel per jaar, van drie tot maximaal zes stuks. Terwijl het vrouwtje broedt, zit het mannetje op wacht. Dat de jongen van het vorige jaar waar nodig bijspringen en helpen bij het bebroeden van de eieren en het voeden van de jonge kuikens, is onder wielewalen heel normaal. Vooral als er ver gevlogen moet worden om lekkere insecten en dikke rupsen te scoren.

Enkele keren kruist of volgt de route korte tijd een van de brede, kapotgereden tankpaden. De koekoek en de tjiftjaf trekken zich van die paden niets aan. Zij voelen zich hoorbaar thuis in het bos met zijn ongeordende ondergroei van braam en brandnetel. Het volgende stuk bos is aangeplant en zo te horen aan de oorverdovende stilte minder in trek, waarschijnlijk vanwege het ontbreken van voedselrijke ondergroei.

Waar de route het Zuidwalbos schampt, loopt het Orchideeënpad. Van orchideeën nog geen spoor, die groeien verderop in groten getale, maar wel pas eind mei en in juni. Het bos heeft plaatsgemaakt voor open gebied met sloten, een meertje en struiken. Bij water hoort riet. En bij riet horen de rietzanger en de rietgors, die vaak dicht bij elkaar zitten. De rietgors zingt een niet al te opwindend staccatoliedje. De rietzanger, die overwintert in de Sahel, besteedt meer aandacht aan zijn zangkunsten. Dit bescheiden gekleurde vogeltje broedt in het dichte riet en foerageert op muggen, eendagsvliegen en andere insecten.

De egelantier en de duinroos lijken verdacht veel op elkaar, maar gelukkig is er een trucje om ze uit elkaar te houden. De onderkant van de blaadjes van de egelantier heeft klieren die naar appels ruiken als je erover wrijft. De duinroos bloeit in mei en juni en de egelantier van juni tot augustus. Bovendien zijn de blaadjes van de egelantier rozerood met een wit centrum, terwijl de duinroos crèmekleurig tot lichtroze is. Met hun dichte struikgewas en scherpe doorns zijn zowel de egelantier als de duinroos heel aantrekkelijk als broedplaats voor kleine zangvogels.

Een dijk, een haventje, het grote terras van het Booze Wijf en de ‘buitenwijken’ van het piepkleine Lauwersoog vertegenwoordigen het geciviliseerde gebied. Dan neemt de natuur het weer over. Op enkele grote open plekken aan de rand van het Lauwersoogbos verschijnen begin mei de eerste orchideeënblaadjes. Inmiddels zijn hier negen orchideeënsoorten te ontdekken. De brede, gevlekte en vleeskleur­ige orchis, en de rietorchis, de moeraswespenorchis en de honingorchis groeien hier al een tijd, maar de breedbladige wespenorchis, de grote keverorchis en de groene knolorchis zijn ‘nieuw’.