Holwortel in het Rijsterbos

Nederland, Friesland, Rijs

Het hele voorjaar staat de slottuin bij het Rijsterbos vol bontgekleurde bloemen. Van krokus tot wilde tulp en van longkruid tot holwortel. Het zijn stinsenplanten, sierlijke bol- en knolgewassen die vroeger bij landhuizen, pastorieën en boerenhoeven werden aangeplant; het Friese woord ‘stins’ betekent ‘steenhuis’. Huize Rijs en de slottuin werden in 1937 verkocht en gesloopt, maar de tuin is inmiddels in al zijn glorie hersteld. De stinsenbloemen zorgen voor een fleurige afsluiting van deze wandeling. Verder wandelt u door het Rijsterbos, een landgoedbos dat is aangelegd op de glooiingen van het Friese Gaasterland.

A. Van parkeerplaats langs slagboom het bos in. Na 150 m la en blauwe paaltjes volgen door het bos en langs het Mirnser Klif.

B. Na oversteken asfaltweg (voor de tweede keer) bij paddenstoel 20913 blauwe route verlaten en verder over verhard fietspad.

C. Na ruim 1 km (bij boerderij) bij paddenstoel 23939 ra richting Hemelum. Aan het einde bij paddenstoel 20354 ra. Bij boerderij rd via fietspad. Einde la en direct ra. Na weitje (rechts) la, weer via blauwe paaltjes, tot slottuin.

D. Volg de paden door slottuin, dan ra terug naar parkeerplaats.

In het donkere, vochtige Rijsterbos doen varens het prima. Overal langs de paden ontdekt u dubbelloof, brede stekelvaren en eikvaren. Sommige varensoorten blijven de hele winter groen, andere verliezen in de herfst hun blad. De ondergrondse wortelstok gaat dan in winterrust. Zo rond april-mei komen hieruit nieuwe scheuten te voorschijn. Ze zijn opgerold als de staf van Sinterklaas en groeien razendsnel. Zou u de wandeling de volgende dag nogmaals doen, dan zouden ze duidelijk een stuk verder zijn uitgerold.
 

Speuren naar dassensporen
Talrijke dieren laten zich in het Rijsterbos zien of horen, maar de das is daar niet bij. Die zit de hele dag weggestopt in een van de burchten die het bos rijk is. Pas in de late schemering komt hij naar buiten om in de omliggende weilanden naar regenwormen te zoeken. Overdag zijn alleen de sporen zichtbaar. Zoals de vaste looproutes of ‘dassenwissels’, haren in het prikkeldraad, pootsporen in de modder en, heel kenmerkend, putjes van zo’n 10 cm diep met onder in een hoopje mest. De jongen worden doorgaans in februari geboren, maar pas in april of mei wagen ze zich voor het eerst naar buiten. Daarna duurt het nog maanden voor ze meegaan op voedseltocht.

In mei is het veld naast het pad bedekt met lelietje-van-dalen en salomonszegel. Beide soorten worden soms tot de stinsenplanten gerekend. In het Rijsterbos zijn ze niet aangeplant, maar komen ze van oudsher voor. De salomonszegel heeft witte bloemetjes die netjes naast elkaar aan een gebogen stengel hangen. Bij het lelietje-van-dalen staat de stengel meer rechtop en hebben de bloemetjes de vorm van een kroontje. In Frankrijk en België geven de mensen elkaar op 1 mei (dag van de arbeid) een lelietje-van-dalen als symbool van lente en geluk. Maar pas op: dit heerlijk geurende plantje is behoorlijk giftig.

Langs het IJsselmeer is door kustafslag een steile rand ontstaan, het Mirnser Klif. De helling staat vol met bloeiende struiken, waaronder de brem met zijn opvallende gele bloemen. De eenstijlige meidoorn pronkt met witte bloesems en de ook al wit bloeiende sleedoorn is herkenbaar aan de gevaarlijk ogende doorns. Even verderop, in de rietstrook, zijn eind april of begin mei de rietvogels druk bezig met het voeden van hun pasgeboren kuikens.

Bij de boerderij is meestal wel een clubje zwaluwen te zien dat met acrobatische toeren insecten vangt. Daar zijn ze goed in, want een enkele zwaluw kan per week wel 50.000 (!) muggen, motten en andere insecten vangen. Meestal gaat het om boerenzwaluwen: gevorkte staart, witte buik en zwartblauwe rug. De huiszwaluw lijkt erop, maar die heeft een forse witte vlek boven zijn staart. Beide soorten overwinteren ten zuiden van de Sahara en keren in de loop van april en mei terug naar Nederland, vaak zelfs naar hun oude nest.

Grote kans dat het weitje rechts van het pad flink is ‘gemold’ door molshopen en mollengangen. De mol gaat niet in winterslaap, maar kruipt in de winter wél dieper onder de grond. In de lente komt hij naar boven en wordt dan meteen erg actief: per uur kan hij wel 15 m aan nieuwe gangen graven. De overtollige grond duwt hij als molshopen naar boven. Een extra grote hoop kan duiden op een nest er vlak onder. In april-mei krijgt de vrouwtjesmol drie tot vijf jongen, die zo’n vijf weken in het nest blijven.

De route eindigt bij de gereconstrueerde slottuin. Het kunstzinnige hek is modern, maar de heuvels, gracht en boomgaard staan op dezelfde plek als in de oorspronkelijke Engelse landschapstuin. Het hele voorjaar lang is het hier een weelde aan wilde bloemen en stinsenplanten. In mei is het beschermde en zeldzame zomerklokje de blikvanger. Het lijkt wat op een sneeuwklokje, maar is een slag groter en heeft groene vlekjes op de hangende witte bloemen.