Dedemsvaartroute

Nederland, Overijssel, Ommen

43
09
40
12
13
14
15
16
17
27
32
22
21
23
20
29
52
43

De ondoordringbare moerassen tussen de Vecht en de Reest maakten aan het begin van de 19e eeuw deel uit van een enorm hoogveengebied. Het strekte zich uit van de Dollard tot aan Coevorden en van daaruit westwaarts richting Hasselt aan het Zwarte Water. De Overijsselse baron Willem Jan van Dedem, die werd geboren op Huize Den Berg in Dalfsen en veel grond bezat ten noorden van Ommen, nam het initiatief tot de ontginning van deze moerassen. Daartoe begon hij in 1809 met eigen kapitaal de Dedemsvaart te graven tussen Hasselt en Ane (bij Gramsbergen). Die vaart was nodig om het veengebied te ontwateren en de turf af te voeren. Beducht voor de eigen handelspositie dwarsboomde Zwolle het project. In 1844 werd een deel van het bezit van de baron geveild om zijn schulden af te lossen. Het kanaal ging over in handen van het Rijk en Van Dedem stierf in 1851 als een teleurgesteld man. Zijn graf is op de begraafplaats Mulderij in Dedemsvaart.

De buurtschap Witharen, waar nu een pompstation voor drinkwater staat, lag oorspronkelijk op een zandhoogte. Tot aan het begin van de 19e eeuw was de weg tussen Ommen en Avereest de enige wijze om de veenmoerassen tussen Overijssel en Drenthe zonder natte voeten over te steken. En dan alleen nog maar in de zomer, via de daar aanwezige zandhoogten, ook wel haren genaamd.

De Ommerschans was een militair vestingwerk dat tussen 1623 en 1628, in de Tachtigjarige Oorlog, is aangelegd om de  moeraspassage te controleren. Deze smalle zandrug was de enige begaanbare route door de veenmoerassen tussen Ommen en Avereest. In de tijd dat Drenthe nog als zelfstandig gewest deel uitmaakte van de Republiek der Zeven Vereenigde  Nederlanden (voor 1795), had Avereest strategische betekenis. Van de schans is alleen de oostelijke gracht nog overgebleven. Van 1819-1822 werd de Ommerschans verbouwd tot een strafkolonie voor bedelaars en andere randfiguren die werden ingezet bij de ontginning  van de veenmoerassen. Deze kolonie werd in 1890 gesloten. Ten noorden van de begraafplaats en het kerkje (uit1834) werd in 1894 het jongensopvoedingsgesticht Veldzicht opgericht, waar later een psychiatrische kliniek voor gestraften is ondergebracht.

Balkbrug is ontstaan ten tijde van de veenderij. Het dankt zijn naam aan de balk die in 1845 onder de plaatselijke brug werd aangebracht om te voorkomen dat schepen met een te grote diepgang het kanaal binnenvoeren. Een balkmeester hield toezicht. Bij het binnenrijden van Balkbrug passeert u Korenmolen De Star uit 1882, die in 1974 naar deze plek is verplaatst. Samen met de zuivelfabriek uit 1908 behoort de molen tot de oudste industriële bouwwerken van Balkbrug.

Dedemsvaart ontstond in de 19e eeuw en dankt zijn naam aan het kanaal. Toen het in 1966 zijn functie had verloren, werd het grotendeels gedempt. In het dorp is nog een klein gedeelte van de Dedemsvaart bewaard gebleven. Vele gebouwen herinneren nog aan de tijd van de veenderij. Op de terugweg brachten de turfschippers schelpen uit de Waddenzee mee. Daarvan werd schelpkalk gemaakt voor de bouw van de vele huizen die nodig waren. De kalkovens aan de Oude Zuidwolderstraat in Dedemsvaart zijn in 1820 door baron Van Dedem gebouwd (niet aan de route).

Het gebied tussen de Reest en de Vecht heeft een typisch veenkoloniale verkaveling gekregen: lange rechte vaarten,ook wel wijken geheten, rechthoekige landbouwpercelen en weinig begroeiing. De omstandigheden waaronder de veenarbeiders de ontginning hebben uitgevoerd, waren erbarmelijk. De meesten woonden in plaggenhutten en sliepen op stro. Drankmisbruik was aan de orde van de dag. Tussen Dedemsvaart en Ommen fietst u door dit ontginningslandschap.In de buurt van Ommen komt u in het oude dekzandgebied, met andere begroeiing.