Parkeren op (veronderstelde) gehandicaptenparkeerplaats

Vraag gesteld door husband of DB op 07 oktober 2018

Achtergrond van de vraag:
In het verlengde van de scheidingslijn tussen 2 parkeervakken is op het trottoir (evenwijdig aan de weg) een verkeersbord (gelijkend op) model E6 van bijlage I RVV 1990 (gehandicaptenparkeerplaats) geplaatst; met dien verstande dat op dit bord aanvullend 2 pijlen (een naar links en een naar rechts wijzende pijl) zijn aangebracht. Er is geen onderbord geplaatst. Personenauto werd geparkeerd in parkeervak waar de naar links wijzende pijl op gericht is.
Uitreiking Administratieve sanctie voor het parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart (overtreding artikel 26 RVV 1990)

Vragen:
• Kan gesteld worden dat het geplaatste bord géén verkeersteken is als bedoeld in Bijlage I van het RVV 1990 ? Een bord E6 MET pijlen is namelijk niet afgebeeld in bijlage I RVV 1990.
• Waar/voor wie is het BABW (Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer) in het leven geroepen?
• Kan (in dit geval) een (aanvullende) beschrijving in het BABW een strafbaarheid geven van het RVV 1990?
• Zo ja; is het BABW dan geen uitbreiding van (in dit geval) het RVV 1990?
• Moet een verkeersdeelnemer zich (ook) houden aan (uitvoeringen van) het BABW?
• Hoe verhouden een Reglement ( in dit geval het RVV 1990) en een Besluit ( in dit geval het BABW) zich tot elkaar?
• Onduidelijk voor mij is wat artikel 8 lid 2 onder d, 2e BABW bedoelt met: “de wijze waarop of het doel waarmee het parkeren dient te geschieden”

rekening houdend met onderstaande opmerkingen:

* De administratieve sanctie is uitgeschreven voor artikel 26 RVV 1990 beschreven in het RVV 1990
* In Bijlage I van het RVV 1990 zijn de borden precies beschreven en afgebeeld.
* In het RVV 1990 is nergens duiding gegeven/ beschreven dat ÓP verkeersborden, genoemd in bijlage 1 RVV 1990, symbolen, tekens of teksten geplaatst mogen worden.
* In het BABW staat onder artikel 8 lid 3 beschreven: “bedoelde aanduidingen (beschreven in artikel 8 tweede lid, onderdeel d, onder 1° en 2°) kunnen in plaats van op een onderbord, ook op het verkeersbord worden aangebracht.”

Antwoord van Michiel

ANWB Expert

De Wegenverkeerswet (WVW) bestaat uit diverse onderdelen waaronder:

  • Regeling Voertuigen (die eisen stelt aan alles wat open aan voertuigen zit zoals verlichting)
  • Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV, dat de gedragsregels voor de weggebruiker beschrijft)
  • BABW (Besluit Administratieve Bepaling inzake het Wegverkeer dat de eisen stelt voor al het wegmeubilair waaronder de borden; dit zijn in feite de regels waar een wegbeheerder zich aan moet houden).

Een belangrijk onderdeel van het BABW is de plaatsingsbeschikking voor verkeersborden, daarin staan welke borden gecombineerd moeten worden, hoe ver ze van een actiepunt moeten staan etc.

De plaatsing van borden moet uiteraard zodanig zijn dat de weggebruikers begrijpen wat er bedoeld wordt. In dit geval zijn er met het bord E6 van het RVV (gehandicaptenparkeerplaats) twee parkeerplaatsen gereserveerd voor gehandicapten. Dit houdt automatisch een verbod voor parkeren van anderen in. De wijze waarop dit aangegeven is met één bord op de grens van twee parkeervakken met op het bord twee schuine pijlen wijzend naar die parkeervakken is naar onze mening volkomen duidelijk voor een weggebruiker. Dat het bord niet de precieze uitmonstering heeft zoals in het RVV doet niets af aan de begrijpelijkheid.

Het bord wordt overigens vaker op deze wijze toegepast en geeft naar onze mening geen twijfel over de bedoeling. Wel dient het bord goed zichtbaar te zijn wat ook geldt voor de bewuste pijlen op het bord.