Wettelijke verantwoordelijkheid bestuurders van gemotoriseerde voertuigen bij het inrijden van een straat

Vraag gesteld door abmns op 22 februari 2017

Graag verneem ik wat de wettelijke verantwoordelijkheid is bij het inrijden van een straat met een motorvoertuig. Hierbij wordt de bestuurder van het motorvoertuig mi een nieuwe deelnemer van het verkeer in die straat die wordt ingereden.

Het lijkt me dat hierbij minimaal de regels van gevaarherkenning gelden en daarbij enkele artikelen uit de verkeerswet waarbij de bestuurder die de straat in rijdt rekening moet houden met het verkeersbeeld in de straat die ingereden wordt en niet klakkeloos voorrang kan claimen.

Is er dan nog een verschil of de straat vanaf een gelijkwaardige verhoogde kruising (bv in een 30KM zone) wordt ingereden of vanaf een zijweg de hoofdweg wordt opgereden?

Antwoord van Annemieke

ANWB Expert

U heeft een vraag over de verkeersregels voor het inrijden van een straat.

Bij het inrijden van een straat verandert de status van een verkeersdeelnemer niet. Voor alle weggebruikers geldt in alle gevallen dat een ieder zich zo dient te gedragen dat en geen onveilige situaties voor andere verkeersdeelnemers worden gecreëerd.

Bij het afslaan moet het verkeer dat op dezelfde weg tegemoet komt of zich op dezelfde weg naast dan wel links of rechts dicht achter zich bevindt voorgelaten worden. Slaat een motorvoertuig links af dan moet deze de tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

Of er voorrangsregels gelden bij het afslaan hangt af van de situatie zelf. Dit kan volgen uit regels, tekens of verkeerslichten.

Verlaat iemand een in- of uitrit, dan geldt dit als een bijzondere manoeuvre en moet al het overige verkeer moet dan voorrang worden verleend.




***

Reactie van abmns:

Bedankt voor uw antwoord. U schrijft "Voor alle weggebruikers geldt in alle gevallen dat een ieder zich zo dient te gedragen dat en geen onveilige situaties voor andere verkeersdeelnemers worden gecreëerd."

Indien in de straat die wordt ingereden de straat geblokkeerd is en doorgang redelijkerwijs niet onmiddelijk mogelijk is wat wordt er dan van beide partijen - partij die de straat blokkeert, alsmede de partij die de straat komt inrijden - vanuit wettelijk oogpunt concreet in deze situatie verwacht?



***

Reactie van Annemieke Zerdoun:

U vraagt hoe men zich moet gedragen als een weg is geblokkeerd en er door een motorvoertuig wordt ingereden.

Deze vraag kan ik niet zo beantwoorden. Dat hangt van de omstandigheden af. Beide partijen moeten zich zo gedragen dat de weg veilig te vervolgen is en er geen schade ontstaat. Heeft u een specifieke situatie waar u op doelt? Zou u deze dan kunnen beschrijven?



***

Reactie van abmns:

bedankt voor uw antwoord. De situatie is alsvolgt

Bij een winkel zijn er parkeerplaatsen die zich haaks op de rijbaan bevinden. Dit betekent dat er een beweging van 90 graden gemaakt moet worden om in de parkeerhaven te rijden. De parkeerhavens bevinden zich direct na een verhoogde gelijkwaardige kruising in een 30 KM gebied. Vanaf de kruising gezien liggen de parkeerhavens aan de rechter zijde.

Partij A komt aanrijden over de kruising en wil achteruit in de 1e parkeerhaven bij de winkel parkeren. Partij A stelt vast dat de weg vrij is en Partij A zet de auto schuin (ca 45 graden) op de weg. De weg is hierbij vrijwel geblokkeerd. Er kan redelijkerwijs dus geen auto meer door. Partij A begint langzaam achteruit te rijden. Dan komt Partij B de kruising overrijden en partij A stopt onmiddelijk. Partij B tracht toch achterlangs te rijden en raakt daarbij het voertuig van partij A. Partij B komt ca 5 meter na voertuig A geraakt wordt tot stilstand.



***

Reactie van Annemieke Zerdoun:

Bedankt voor de beschrijving. Dat geeft een beter beeld.

De situatie die u schetst is een voertuig dat bezig is om in te parkeren en een voertuig dat doorrijdt op de weg waar de parkerende auto deels de doorgang blokkeert.

Het uitgangspunt is dat in- en uit parkeren in de wet wordt genoemd als bijzondere manoeuvre. Bij het uitvoeren van zo'n manoeuvre moet al het overige verkeer voorrang worden verleend. Ontstaat er een aanrijding dan wordt de bestuurder die in- of uit parkeert aansprakelijk gehouden. Het kan vervolgens zo zijn dat de andere partij kan worden verweten ook deels verantwoordelijk te zijn voor de aanrijding. Bijvoorbeeld als gevolg van te hoge snelheid of roekeloos gedrag. Dit moet dan wel bewezen kunnen worden. De bewijslast ligt bij degene die de bijzondere manoeuvre uit heeft gevoerd. Dit kan bijvoorbeeld bewezen worden door middel van getuigen.

Meer informatie over aanrijding en verhaal van schade vindt u op onze website.



***

Reactie van abmns:

Bedankt voor uw reactie, echter in uw antwoord zie ik niets terug van de actie van Partij B, die een verhoogde gelijkwaardige kruising oversteekt en de weg in komt rijden die op het moment van oversteken al geblokkeerd is en dan tracht het voertuig van Partij A - die de bijzonder manoeuve heeft afgebroken zodra Partij B in beeld kwam - tracht voorbij te rijden wat een aanrijding met schade tot gevolg heeft.



***

Reactie van Annemieke Zerdoun:

Zoals ik aangaf is het aan de bestuurder die inparkeert om aan te tonen dat de andere partij ook (deels) aansprakelijk is en er dus sprake is van eigen schuld aan de kant van de tegenpartij. U geeft aan dat de parkeermanouevre werd gestaakt zodra de andere auto in beeld kwam. Als dit al geruime tijd was ( niet slechts enkele seconden) dan kan het zijn dat er sprake is van en zogenaamde disculperende stilstand. De voorrangsverplichting is dan niet meer aan de orde. Ook de geruime tijd dat de auto stilstond zal echter moeten worden bewezen, bijvoorbeeld door getuigen. Als er in dat geval schade ontstaat kan worden gesteld dat de tegenpartij tegen een stilstaande auto is gereden.

Indien er net gestopt werd blijft echter de voorrangsverplichting van kracht en ligt het vermoeden van schuld bij de auto die bezig was met parkeren.





***

Reactie van abmns:

Bedankt voor uw reactie. Het gaan parkeren in dezelfde parkeerstroom wordt echter op basis van onderstaande Juriprudentie niet als bijzondere manoeuvre gezien. De tegenpartij heeft ons aan de achterzijde geraakt in een poging om er toch langs te komen. Graag ontvang ik uw visie op de bruikbaarheid van deze jurisprudentie.

“Rechtbank Den Haag 15 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4709” waarin door de rechtbank het volgende is uitgesproken: “De rechtbank oordeelde dat het automobilist 1 niet verplicht was om automobilist 2 voorbij te laten gaan. Volgens de rechtbank Den Haag is daarvoor geen wettelijke plicht, ook niet artikel 54 RVV. De rechtbank oordeelde dat hoewel de in artikel 54 RVV genoemde bijzondere verrichtingen niet uitputtend zijn, het inparkeren van automobilist kon niet worden gezien als een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 RVV. In artikel 54 RVV gaat het namelijk om bijzondere verrichtingen waarbij de bestuurder zich vanuit stilstand of vanuit de huidige verkeersstroom wil invoegen in andere verkeersstroom. In zo’n situatie moet een bestuurder het andere verkeer voor laten gaan. De rechtbank oordeelde dat het inparkeren van automobilist iets heel anders was: hij wilde dan wel “zijn eigen verkeersstroom” verlaten, maar voegde niet in bij ander verkeer. Hij ging parkeren. Automobilist 1 was dan ook niet verplicht om automobilist 2 voor te laten gaan”.



***

Reactie van Cathy Lutgert:

U hebt jurisprudentie gevonden waarbij de rechter van mening is dat er bij parkeren geen sprake zou zijn van een bijzondere manoeuvre. Dit niet volledig in lijn met andere jurisprudentie.

U kunt altijd proberen om deze jurisprudentie te gebruiken richting de verzekeraar van de tegenpartij.

Ik heb ook nog even verder gezocht voor u naar relevante jurisprudentie. In deze situatie waarbij beide partijen een fout maken wordt een schulddeling toegepast door de rechter.

Jurisprudentie
Rechtbank Zutphen

2002-11-14
AK4819
WVW art. 5; RVV 1990 art. 54

parkeren versus inhalen.

In smalle straat voor verkeer in twee richtingen gaat een personenauto naar links om te parkeren in een parkeervak ter linkerzijde van de straat en wordt daarbij aangereden door een inhalende auto. Over en weer gemaakte fouten gewogen als 20:80.

eiseres, G

tegen

gedaagden, B

Op 3 september 2000 omstreeks 20.10 uur heeft tussen de auto's van G en B in de A-straat te Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze) een aanrijding plaatsgevonden.

De Abdijstraat is een tweebaansweg. G is deze straat ingereden met het voornemen haar auto te parkeren in één van de parkeerhavens aan de linkerkant van deze weg. Ter uitvoering van dit voornemen heeft zij vaart geminderd en is zij tegen de as van de weg gaan rijden. Ook had zij haar linkerrichtingaanwijzer ingeschakeld. B is haar toen gaan inhalen waardoor, op het moment dat zij daadwerkelijk linksaf sloeg, haar auto linksachter is geraakt door de rechtervoorzijde van de auto van B. B heeft zich door zó in te halen op een wijze gedragen die een gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd zoals bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet (WVW).

De beoordeling van het geschil

Gezien deze omstandigheden kan de conclusie dan ook niet anders luiden, dan dat B G op die plaats onder die omstandigheden niet had mogen inhalen. Door dit wel te doen heeft zij zich zó gedragen dat er een gevaar op de weg werd veroorzaakt.

Anderzijds had G ingevolge artikel 54 van het RVV bij de uitvoering van haar bijzondere manoeuvre B voor moeten laten gaan. Uit de foto's wordt afgeleid dat, gezien de breedte van de weghelft, rechts inhalen geen optie was, anders dan B stelt. G heeft hierover slechts opgemerkt dat zij wel had gezien dat de rode auto van B achter haar zat, maar dat deze auto nog ver genoeg van haar was verwijderd. G heeft niet gesteld dat zij op het moment dat zij haar bijzondere manoeuvre inzette, in haar spiegel heeft gekeken om na te gaan of er overig verkeer was dat zij voor diende te laten gaan hetgeen zij wel had moeten doen.

Zowel G als B hebben dus een verkeersfout gemaakt waarbij echter de verkeersfout van B — gezien alle bijkomende omstandigheden — van aanmerkelijk zwaarder gewicht dient te worden geacht dan die van G. Hierin bestaat aanleiding B de schade waarvan G stelt die te hebben geleden voor 80% te laten dragen en 20% voor rekening van G te laten.