Georoute Zuid-Limburg

Grotten en groeves

In Zuid-Limburg zijn tijdens een natuurroute nog veel overblijfselen uit het krijt te bewonderen. Tijdens deze geologische periode lag hier een tropische zee, waarin allemaal minuscule dieren zwommen. Hun skeletjes dwarrelden na hun dood naar de zeebodem, waar ze in de loop der tijd aankoekten tot een dik kalkpakket: mergel.

Tekst: Gemma Venhuizen
Fotografie: Bart Hautvast

‘Welkom op het oudste station van Nederland!’ zegt de conducteur wanneer ik uitstap in Valkenburg. ‘Geopend op 23 oktober 1853.’ Het stationsgebouw, opgetrokken uit geelbruine Limburgse mergel, ziet er inderdaad klassiek uit. Maar die leeftijd van bijna 164 jaar is een flink understatement. In werkelijkheid is dit station ruim 65 miljoen jaar oud – als je de leeftijd van de stenen in acht neemt, in ieder geval. De Zuid-Limburgse mergel – kalksteen vermengd met een klein beetje zand – ontstond namelijk al tijdens het krijt. Tijdens deze geologische periode lag op de plek van het huidige Limburg een tropische zee, waarin allemaal minuscule dieren zwommen. Na hun dood dwarrelden hun skeletjes naar de zeebodem, waar ze in de loop der tijd aankoekten tot een dik kalkpakket.

Mergelgrotten

Vandaag de dag zijn hun versteende resten nog altijd te bewonderen, en niet alleen op het station. Ik passeer richtingbordjes naar de ‘mergelgrotten’ – oude steengroeves in feite, waar van de middeleeuwen tot en met de achttiende eeuw grote blokken mergel werden gewonnen. Vandaag de dag kun je er rondwandelen onder begeleiding van een gids. Want wie er de weg niet kent, kan er met gemak verdwalen. In het donker oogt elke gang hetzelfde: enkele meters breed, enkele meters hoog. Een regelrecht labyrint.
De zon schijnt, en dus laat ik het duister voor wat het is. Ook in de openlucht is er op geologisch gebied voldoende interessants te zien. De prehistorische vuursteenmijnen net buiten Valkenburg bijvoorbeeld.

Vuurstenen speer

Ruim 5000 jaar geleden, in het neolithicum, gebruikten onze voorouders de vuurstenen om werktuigen mee te maken – net als mergel is vuursteen een vorm van kalksteen, maar zodanig hard dat je het prima kunt gebruiken om bijlen en speerpunten uit te vervaardigen. Terwijl ik door de bossen langs de Geul loop, stel ik me voor hoe hier in de oertijd werd gejaagd. Heuvelop, heuvelaf, tussen de bomen door... Kort voor ik bij de Meertensgroeve kom, zie ik een ree wegschieten. ‘Rustig maar’, wil ik hem naroepen, ‘ik doe je niets! Zelfs als ik een vuurstenen speer had, dan wist ik nog niet hoe ik hem moest werpen...’

Geelbuikvuurpad

In de oude grindgroeve zelf liggen wat reeënkeutels, maar eigenlijk is dit het domein van een ander dier: de geelbuikvuurpad. In de prachtig blauwe meertjes hier moet hij zich schuilhouden: ’s zomers schijnt hij vaak langs de oever te rusten, met zijn pootjes op het droge. Ik blijf een tijdje in het gras zitten, maar zien doe ik hem niet. Voort dan maar weer, naar mergelgroeve Blom. Hier word ik omringd door dieren: landgeiten, wilde varkens en libellen. De geelbuikvuurpad houdt zich wederom gedeisd. ‘In het voorjaar hoor je hier soms een zacht ‘unk, unk’, vertelt een passant. ‘Dat zijn de mannetjespadden die een vrouwtje proberen te versieren.’

Push-ups

Ik passeer militairen die bezig zijn met een puzzeltocht. ‘Wie weet hoe oud deze rotsen zijn, krijgt drie punten’, zegt de leider van het stel. ‘De rest moet dertig push-ups doen.’
Ook zonder push-ups voel ik me al sportief genoeg, lopend door het reliëfrijke landschap. Hoe verder ik kom, des te sterker ik het gevoel krijg in het buitenland te zijn: boven me uit torenen hoge rotswanden van mergel.
Bij de Bemelerberg loop ik een stukje van het Pieterpad, en wandel even op met een echtpaar dat al de hele route vanaf Pieterburen heeft gelopen. Ze zullen overnachten in Maastricht, om morgen de laatste paar kilometer te lopen, naar de Sint-Pietersberg. Die berg is mijn einddoel voor vandaag. Of om preciezer te zijn: het uitzichtplatform bij de ENCI­-groeve.

Zeemonsters

Maar voor het zover is, wandel ik eerst door Maastricht. Op de brug blijf ik een tijdje staan, starend naar de Maas. De Mosa, zoals de Romeinen zeiden. Naar deze rivier is zelfs een Limburgs zeemonster genoemd: de Mosasaurus, oftewel de Maashagedis. Aan het einde van het krijt bevolkten diverse mosasauriërsoorten de wereldzeeën. Lange, slank gebouwde zeemonsters die een lengte konden bereiken tot wel 18 meter. Het Natuurhistorisch Museum Maastricht heeft inmiddels diverse eigen mosasauriërs in het bezit. In 1998 werd Bèr gevonden, en sinds 2012 zijn er in de ENCI-groeve nog diverse exemplaren ontdekt.

Platform

Naar diezelfde ENCI-groeve wandel ik nu. Hier begon in 1926 de Eerste Nederlandse Cement Industrie. Niet langer werd mergel gebruikt voor de vervaardiging van natuurstenen stationsgebouwen. In plaats daarvan werd het tot cement vermalen, waarmee in hoog tempo nieuwe gebouwen konden worden opgetrokken. Minder fraai, maar wel zo praktisch.
De groeve zal zijn 100-jarig bestaan niet halen. In 2018 stoppen de werkzaamheden en wordt het gebied teruggegeven aan de natuur. Nu al is een groot deel niet meer in gebruik – een van de zijdalen is het territorium van een oehoe. Vanaf het platform voert een wandelpad naar beneden, maar dat is op het moment dat ik er ben gesloten vanwege te grote belangstellingen en blijft gesloten tot het gebied weer veilig is voor (veel) bezoekers. Gelukkig is het uitzicht vanaf het platform ook grandioos. En stiekem zijn mijn voeten ook wel toe aan een rustpauze. Tijd om terug te keren naar Maastricht, en op een terrasje neer te strijken met een groot stuk Limburgse vlaai – haast net zo beroemd als de Limburgse mergel.

In de 15e eeuw moest Luik na een oorlog worden herbouwd. De bisschop van Luik vroeg Maastricht om kalk te leveren. De paters die de Sint-Pietersberg beheerden, namen arbeiders in dienst die met beitels en houwelen metersgrote blokken kalksteen van de bergwand braken. Steeds dieper de berg in tot een stelsel van zo’n 20.000 gangen en 200 km lang. Er waren vier deelstelsels: het Noordelijk en Zuidelijk gangenstelsel, de Zonneberg en Slavante. Het Zuidelijk gangenstelsel en Slavante zijn in de afgelopen eeuw afgegraven door ENCI. Met de kalk verdwijnt ook een ondergronds museum: al sinds de middeleeuwen lieten groevewerkers kunstwerken in de zachte steenwanden achter. Reliëf­afbeeldingen, gedichten, houtskooltekeningen, zelfs een reproductie van Het Melkmeisje van Vermeer – alles tot cement vermalen.

Al rond 1780 werd de eerste mosasaurus gevonden in de Sint-Pietersberg. Een arbeider zag uit de kalksteenwand delen van een ­imposante reptielenkop steken. De vondst werd naar de eigenaar van de groeve gebracht. In eerste instantie dacht hij dat het om de schedel van een krokodil ging – en zo etaleerde hij het fossiel ook in zijn huis. Dat er versteende resten van vroeger leven ­bestonden, wist men eind 18e eeuw al, maar nooit werd gedacht dat het om fossielen kon gaan van uitgestorven soorten. ‘Waarom zou God soorten scheppen om ze vervolgens te laten uitsterven?’, was de heersende opinie. Vrijwel iedereen ging uit van de zondvloedtheorie: fossielen waren de versteende resten van dieren die de zondvloed niet hadden overleefd. Zodoende stond de ‘krokodil’ bij de groeve-eigenaar thuis totdat eind 1794 de Fransen Maastricht binnenvielen en de Zuidelijke Nederlanden annexeerden. In januari 1795 voegde een Franse geoloog zich bij het Franse leger en onder zijn toeziend oog werd het bijzondere fossiel geconfisqueerd en getransporteerd naar het Muséum national d’Histoire naturelle in Parijs, waar de mosa­saurusschedel zich nog altijd bevindt.
Daar gebruikte de Franse bioloog Georges Cuvier de mosasaurus ter ondersteuning van zijn theorie dat er in het verleden dieren op onze aardbol hadden rondgelopen – en gezwommen – die nu niet meer leefden. Hij zag in de mosasaurus een uitgestorven geslacht van zeereptielen. En daar had hij gelijk in. Een pronkstuk dus, dat – zo vinden de Limburgers – niet thuishoort in Parijs, maar in het Natuurhistorisch Museum Maastricht.

 

Zelf deze natuurroute wandelen?

Download routekaart
Download routebeschrijving

 

Misschien ook interessant