Mexico rondreis

Eerder verschenen in Kampioen

Van Maya's tot mojito's

Een intense metropool, bounty-stranden, rustieke bergstadjes en een jungle: het vrolijke Mexico biedt een kleurenpalet aan reisvertier. Daar willen we zijn!

Tekst Jan-Henk Zandberg fotografie Maarten Stolp

Vandaag is róód. Althans het pepertje, verstopt in de vorstelijke taco-vulling, dat zojuist is ontbrand in mijn mond. Precies zoals de ober had voorspeld. Hier helpt geen slok Corona tegen. Tsja, ik had beter moeten weten: Mexico communiceert in kleuren en dit felrood, ja, dat staat bij taco-maaltijden voor een zekere slokdarmuitdaging. Deze pimiento blijkt net zo intens als de stad waar ik hem eet: Mexico City. Maar het groenteduiveltje geeft na een tijdje verteren ook weer een kleine kick, net als deze gigastad. Want, twintig miljoen mensen die hier op een mega-kluit wonen, dat lijkt intens, maar de Mexicaanse hoofdstad kent genoeg relaxte kanten, variërend van onze taxirit in een forse Chevrolet Suburban vanaf de luchthaven door het verbazingwekkend beheerste verkeer, tot het zwoele Alameda Park met z’n marmeren voetpaden en het Plaza Garibaldi, waar de Mariachi je voor een luttel peso-bedragje spontaan toezingen. Een inkijkje in het Mexicaanse leven bieden ook de vele kanalen van het stadsdeel Xochimilco, waar gezinnen in alle configuraties op overdekte platbodems hun hoogtijdagen vieren. Qua looks is Xochimilco een kruising tussen Giethoorn en Woodstock, al zijn de bootjes, de ‘Trajineras’, niet meer met echte bloemen gedecoreerd, maar zijn ze nu zonder enige terughoudendheid beschilderd met flora. Aan boord bevinden zich Mexicanen van alle leeftijden, die enorme koelboxen en gettoblasters meetorsen. Fiësta Mexicana!

Waterval

Van heel andere orde is de boottocht, die wij de volgende dag, na een binnenlandse vlucht, in het diepe zuiden van Mexico maken. Met moderne powerboats klieven wij door de Sumidero Canyon, waar apen in de bomen hangen en krokodillen ons vanonder het wateroppervlak aangluren. Volgens de kapitein, die z’n fooi voor de zekerheid halverwege collecteert, is de kloof een kilometer hoog en is de rivier een kilometer diep. Die middag slingeren we per minivan nog wat hoger, om precies te zijn naar 2120 meter, naar San Cristóbal, waar het kleurenschema wordt verzorgd door lokale indianen in oorspronkelijke klederdracht. Op het bruisende pleintje bij de Santo Domingo-kerk leuren ze met dekens, jassen en mutsen. Logisch, want ’s avonds kan het op deze hoogte flink afkoelen. Het is verder lekker slenteren in dit koloniale stadje, dat met z’n degelijke souvenirwinkels, (internet) café’s en knusse restaurants een bescheiden backpack-sfeer koestert. Sla de markt, de mercado municipal, niet over. Dit is zo’n typisch Mexicaanse operette met (nog) levende kippen, stapels avocado’s en schetterende cd-verkopers. Hoe gevarieerd Mexico is, merken wij als we een paar uur lang in een busje via prachtige panorama’s en kronkelwegen afdalen van 22 graden in San Cristóbal, naar een tropisch vochtige 35 graden bij Agua Azul. Oftewel: een waterval verstopt in de meest noordelijk (relatief dan) gelegen jungle ter wereld. Je kan/mag er trouwens ook zwemmen. Twee badmeesters houden in deze Avatar-achtige omgeving de wacht. Een dik uur sturen verderop, vlak bij Palenque, stuitten archeologen in de vorige eeuw nog op iets anders in het regenwoud: delen van een complete Maya-stad. De grafkamer werd al vroeg leeggeroofd, maar het paleis en de verzameling tempels eromheen, die nog steeds de macht van de Maya’s uitstralen, zijn indrukwekkend. Zeker als ze na een kleine wandeling plots in het levendige oerwoud opdoemen. Met uitzondering van het half-ingestorte paleis is het complex in onverwacht goede staat. De steile trappen mogen beklommen worden en vanaf de Tempel van de Zon heb je een fraai uitzicht over deze Maya-stad, die tussen 300 en 600 na Christus floreerde.

Vrolijk rommelig

In Palenque zelf zijn alle hotels en restaurants ondergebracht in een soort botanische tuin. Lekker rustig, en zeker niet onaangenaam. Meer decibellen biedt het voormalige piratenbolwerk Campeche aan de Caribische kust, waar live-muziek (denk Metallica en Aerosmith met Latino-beats) in het weekend tot vier uur ’s ochtends je hotelkamertje binnendendert. Diezelfde binnenstad van Campeche is recent overigens minutieus opgeknapt, inclusief stadswal en het oude fort. Goed bijkomen is het gelukkig daarna in het nabijgelegen Uxmal, één van de best geconserveerde en grootste Maya-steden, waar alleen massa-toerisme voorkomt als er aan de kust weer eens drie gigantische cruiseschepen zijn aangemeerd. De sereniteit overheerst hier. Kenmerkend voor Uxmal zijn de verfijnde decoraties op de majestueuze bouwwerken. Een vergelijkbare grandeur had ooit ook Mérida, de huidige hoofdstad van Yucatán, anderhalf uur rijden verderop. Mérida werd in de 19de eeuw zelfs het Parijs van Mexico genoemd. Dat is nog – een beetje – terug te zien op het centrale plein, waar het statige Palacio de Gobierno (met artistieke muurschilderingen) en de Casa Montejo (een protserig woonhuis van een oude despoot) de façades domineren. Maar die vintage bril heeft in deze hoofdstad van de provincie Yucatán plaatsgemaakt voor een vrolijke rommeligheid, die eigenlijk het hele land kenmerkt. De terrasjes op het plein zijn ontspannen en betaalbaar (zoals eigenlijk in heel Mexico) en het raster winkelstraten eromheen, is op een onschadelijke manier slonzig. Onveilig voelt het nooit. En dat geldt voor alle regio’s die we tot nu toe doorkruisten. Het linkste onderdeel van deze trip is eigenlijk het beklimmen van de Maya-tempels.

Strand en mojito’s

Daarom zijn er nu vermoedelijk ook linten gespannen om de beroemdste piramide van Mexico, de Kukulcán, centraal gelegen in het ruïnecomplex van het veelbezochte Chichén Itzá. Klap hier trouwens hard in je handen en de Kukulcán-piramide reageert met een soort vogelbrul. Ook uniek aan dit ‘nieuwe’ wereldwonder (volgens de Unesco) is het Gladiator-achtige balspeelveld, waar de teams een strijd op leven en dood speelden, létterlijk. Tja. Het stof van de weg (Mexico heeft een fijne roadtrip-vibe) kun je na al die steden, bergen, jungle’s en historische must-see’s afkloppen in Playa del Carmen, dat – zoals de naam al zegt – aan de kust ligt. Lichtblauwer dan de zee hier, komen ze overigens niet. Zie dit plaatsje verder als een mix tussen Venice Beach en Ibiza, waarbij het aan te raden valt om langs het strand vanuit het kolkende centrumpje een kilometer naar het noorden te lopen, waar je in het kokoszand rustiger tussen de hipsters zit. ’s Avonds in een open stranddisco, waar de mojito’s groen en zoet zijn, doemt er nog één laatste vraag op: ‘Zouden we de Zangeres zonder Naam hier kunnen aanvragen?’ Mexi-hi-cóóóóóó…