Strandjutten in Zuidwest-Jutland

ANWB samen met VisitDenmark

Sønderjylland/Zuid-Jutland. Een veelzijdige kampeerbestemming met prachtige campings en in mei vaak lekker weer. We struinen de Deense kust én het Deense waddeneiland af en ontdekken een ruige, stoere bestemming.

'Ah, jullie hebben de wind meegenomen', zegt instructeur Tom als hij de blokart optuigt, het voertuigje waarmee we gaan strandzeilen. 'Mooi, want het was heel zacht en zowat windstil. Dan kun je niks, hè? Blokart is voor álle leeftijden. Je hebt geluk, de wind komt heel duidelijk uit die richting. Dat kun je zien aan het zand.' 

Vijftig kilometer p/uur

Inderdaad. Het witte, fijne zand komt aangestoven en vormt een duintje tegen mijn voet, de rest van het zand stuift nog lekker vijftien kilometer door. Zo lang is het Lakolkstrand op het eiland Rømø. En vier kilometer breed. 'Heel simpel, je maakt een bocht tegen de wind in en trekt hier om te remmen. Je haalt makkelijk de vijftig.' Zodra ik door heb dat hij snelheid bedoelt en niet mijn leeftijd, slik ik van schrik en opluchting een hap zand door.

Waddengevoel

Met de adrenaline nog in mijn lijf na een bijzonder spannend blokartavontuur, verschansen we ons tegen de wind achter een camper. Die mag hier gewoon op het strand, net als auto’s. 'Ik heb een Hollands waddengevoel', zeg ik tegen fotograaf Maarten als we via de duinen bij camping Lakolk Beach aankomen. De wind, het zachte blauw van de lucht; het Deense waddeneiland behoort tot het grootste nationale park van Denemarken. Voor heel wat watervogels is deze plek de belangrijkste overwinterstek en rustplaats. Helaas zien we niet de beroemde ‘Sort Sol’, de ‘zwarte zon’: honderdduizenden spreeuwen die bij zonsop- en ondergang een potje figuurvliegen met elkaar. Lekker jutten dan maar.

Oestersafari

Gids Iver Gram neemt ons mee op oestersafari. De koning van Denemarken at ooit het laatste inheemse exemplaar. Wonder boven wonder doet de Pacific Oester het hier ook. Het wad zuigt elke voetstap een paar centimeter op. Wat is dit ruig en stoer en zó natuur. We hoeven niet ver. Oesters links en rechts, zo voor het oprapen! Met mijn handen vol zilte delicatessen staar ik naar het lege wad. Alleen wij zijn er. De jutters, de oesters en het wad. Ik heb tranen in m’n ogen. ‘Tuurlijk. Van de wind.'