Natuurbranden

Niemand hoopt het ooit mee te maken, maar het kan gebeuren: een brand op de camping, in het recreatiepark of in de natuur. Weten hoe je een brand kunt voorkomen en wat je moet doen als er toch een natuurbrand is, kan veel ellende besparen. Bekijk de tips op deze pagina.

Veelgestelde vragen

De brandweer controleert met meetapparatuur de droogte in risicovolle natuurgebieden. Op  www.natuurbrandgevaar.nl wordt met kleurcodes aangegeven of het droog  is in de natuur.

Een natuurbrand is een brand, waarbij de brandstof hoofdzakelijk uit vegetatie bestaat. Zo’n brand kan voorkomen in alle gebieden waar droge vegetatie brandbaar is: bos-, heide-, gras-, veen-, riet- en duinvegetaties. Natuurbranden zijn nooit volledig te voorkomen. Het is dus van belang dat we er goed mee om leren gaan.

Natuurbranden kunnen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld:

• onvoorzichtig gebruik van vuur of een omvallende barbecue

• vonkende delen van apparatuur als gevolg van snijden, lassen en slijpen

• vonken afkomstig van remvoeringen van spoorvoertuigen

• kampvuur

• vuurwerk

• munitie, bijvoorbeeld op militaire oefenterreinen

• gebouw- en caravanbranden (met brandoverslag naar omringende vegetatie)

• brandstichting

• droge bliksem (dat wil zeggen blikseminslag als het niet regent).

Aangezien droge bliksem in ons land nauwelijks voorkomt, is het zeer aannemelijk dat het overgrote deel van de natuurbranden in ons land wordt veroorzaakt door bewust of onbewust menselijk handelen. Internationale onderzoekers gaan er zelfs van uit dat wereldwijd ongeveer 90% van de natuurbranden ontstaat als gevolg van (bewust of onbewust) menselijk handelen. Brandonderzoekteams van brandweer en politie zijn getraind om de ontstaansplek, brandoorzaak en het brandverloop te achterhalen. In geval van brandstichting kan deze informatie tot dadervinding leiden.

Vaak worden natuurbranden beschreven aan de hand van het type vegetatie waar de brand zich voordoet: bosbranden (loofbos, naaldbos of een combinatie van beide), heidebranden, duinbranden, veenbranden en rietbranden. Natuurbranden worden ook wel beschreven aan de hand van verschillende typen van vuur:

• Grondvuur (ground fire) is een brand in de humuslaag en vegetatieresten die op de bodem liggen of wortels in de grond. Grondvuur komt ook voor in droge organische bodems zoals veen en ondergrondse boomstronken. Daar kan het vuur maanden en zelfs jarenlang doorbranden of smeulen. Grondvuren zijn lastig op te sporen en lastig te bestrijden, omdat ze grotendeels onder de grond woeden. Grondvuur dat niet volledig gedoofd is, kan eenvoudig weer oprakelen.

• Loopvuur (surface fire) is een brand in lage vegetatie, zoals grassen, heide, lage struiken of laaghangende takken van bomen. De mate waarin loopvuur kan worden bestreden, is sterk afhankelijk van de brandstof en de wind. Loopvuur verplaatst zich vaak snel.

• Kroonvuur (crown fire) is een brand in de toppen van de bomen die samen het dak van het bos vormen, ook wel de kroonlaag genoemd. Kroonvuur wordt gevoed door loopvuur en kan zich zo verder door het bos verspreiden. Kroonvuur is erg dynamisch en moeilijk te bestrijden.

• Vliegvuur (spotting) kan ontstaan als gevolg van kroonvuur, wind en lokale terreinomstandigheden. Brandende en gloeiende naalden, bladeren, boomschors en takken worden door de harde wind meegenomen. Vliegvuur kan - afhankelijk van de windsnelheid - honderden meters tot wel kilometers ver voor het ‘vuurfront’ terechtkomen en daar nieuwe vuurhaarden vormen.

In veel gevallen worden natuurbranden gesignaleerd en gemeld door natuurbeheerders, bewoners, recreanten, wandelaars en fietsers. In een aantal grotere natuurgebieden is een systeem van luchtsurveillance ingesteld, zoals op de Veluwe, in Utrecht en in Overijssel. In droge perioden met verhoogd natuurbrandrisico zijn er dan één of meerdere observatievliegtuigen in de lucht.

Het natuurbrandseizoen in Nederland loopt van januari tot en met oktober, wanneer er sprake kan zijn van risico op natuurbranden als gevolg van droogte. Een aantal factoren speelt hierbij een rol:

• Jaargetijde: in de winter en het vroege voorjaar zijn de sapstroom van de vegetatie en de bladgroei nog niet op gang gekomen. De vegetatie is relatief droog en brandbaarder dan de rest van het jaar.

• Luchtvochtigheid: wanneer de luchtvochtigheid laag is, verdampt de vegetatie meer vocht, droogt sneller uit en is daardoor brandbaarder.

• Soort begroeiing: heide en grassen zijn gemakkelijk brandbaar in droge perioden, omdat ze snel opwarmen door hun kleine brandstofinhoud ten opzichte van een relatief grote oppervlakte. Naaldbos is doorgaans brandbaarder dan loofbos, omdat loofbos meestal een koeler en vochtiger microklimaat heeft dan naaldbos. Bovendien bevatten naaldbomen brandbare harsen. Veen is ook brandbaar als het uitdroogt, bijvoorbeeld door een lage grondwaterstand.

• Temperatuur en zoninstraling: een combinatie van hoge temperatuur en blootstelling aan de zon vergroot het risico op natuurbranden, omdat bodem en vegetatie daardoor sneller uitdrogen.

• Wind: bij hogere windsnelheden drogen vegetatie en materiaal dat op de grond ligt sneller uit en kan een eenmaal ontstane natuurbrand zich sneller verspreiden. Wind is een belangrijke aanjager van natuurbranden.

Deze factoren worden onder andere met behulp van meetstations bepaald.

Op www.natuurbrandgevaar.nl kun je zien wat het actuele advies is van de veiligheidsregio’s in Nederland

Tips natuurbrand

Tips natuurbrand

In een droge periode is er een verhoogde kans op natuurbranden. De ANWB geeft 10 brandveiligheidstips.

Brandpreventie

Brandpreventie

In deze folders geeft de brandweer adviezen over het veilig gebruik
van flessengas, de barbecue en de vuurkorf en hoe je ook op vakantie zorgvuldig omgaat met gas en elektriciteit.

Wat doet de ANWB?

De ANWB vraagt al jaren aandacht voor de aanpak van natuurbrand.

Andere leden bekeken ook