Drentse venen

Nederland, Drenthe, Zuidwolde

74
69
29
63
12
35
37
16
15
13
18
11
10
62
73
74

Boerendorpen, plukjes bos, akkers, grazende koeien – het is mooi fietsen in de zuidwesthoek van Drenthe. Wat niet direct opvalt is dat je twee heel verschillende landschappen doorkruist. De dorpen Ten Arlo en Zuidwolde liggen op een hoge zandrug waar al eeuwenlang boeren wonen. Daaromheen strekten zich ontoegankelijke veenmoerassen uit. Alles veranderde toen turf een belangrijke brandstof werd en het veen strook voor strook werd ontgonnen. Het noeste werk van toen resulteerde in het fascinerende landschap van nu.

De route is 48 km lang, maar je kunt ook kiezen voor een kortere route van 18 km.

 

Liever een kortere route? Volg voor de routeverkorting (ca. 18 km) de knooppunten 74 – 69 – 29 – 63 – 10 – 62 – 73 – 74.

Via een houten bruggetje in de Zuidwolderweg steek je het Oude Diep over, een van de vele beken die van oudsher door het Drentse landschap stromen. Rechts mondt de beek uit in de Hoogeveense Vaart. Dit kanaal werd begin 17de eeuw gegraven om turf (gedroogd veen) uit het achterland te kunnen afvoeren. Turf was destijds de belangrijkste brandstof en vooral in de steden in het westen van Nederland groeide de vraag naar turf explosief. Overigens was het kanaal toen een stuk smaller: wat je nu ziet dateert van de periode 1964-1988, toen de Hoogeveense Vaart werd verbreed en rechtgetrokken om ruimte te maken voor de steeds groter wordende schepen.

Tijd voor een pauze? Bij mooi weer ogen het terras en het zandstrand van Nijstad wel erg aanlokkelijk. De plas is na de Tweede Wereldoorlog gegraven om zand te winnen voor wegen- en woningbouw. In 2019 werd het gebied opengesteld voor recreanten, die zich kunnen uitleven in allerlei meer of minder sportieve activiteiten.

De begroeide vlakte achter knooppunt 63 is de brink van het esdorp Ten Arlo. Loop naar het midden van deze open plek en je ontdekt verschillende groepjes boerderijen. Deze dorpsstructuur bestaat al sinds de middeleeuwen. De boeren hadden hun akkers (essen) achter de boerderijen, op de brink verzamelden ze het vee dat dagelijks op de velden rond het dorp graasde. De geschiedenis gaat echter veel verder terug: archeologisch onderzoek toont aan dat hier al rond 800 v.Chr. mensen hebben gewoond. Niet verwonderlijk, want juist op deze plek stak een droge zandrug uit boven het natte veen.

De naam zegt het al: Hoogeveen dankt zijn ontstaan aan de ontginning van de veengronden. In 1616 kregen ondernemers toestemming om in deze streek turf te winnen. Eerst werden kanalen (wijken) gegraven om het gebied te ontwateren. Daarna werd het veen afgegraven en vervolgens via diezelfde kanalen per schuit afgevoerd. Het dorp Hoogeveen ontstond op een kruispunt van kanalen, waar zich veenwerkers, winkeliers, herbergiers en ambachtslieden vestigden. Pas na de Tweede Wereldoorlog veranderde Hoogeveen van een ontginnersdorp in een groeistad.

Bij Hollandscheveld waren het rijke kooplieden uit Leiden die investeerden in de turfgraverij. Dat verklaart de naam van dit ontginningsgebied. Het gelijknamige dorp ontstond rond de in 1851 gebouwde kerk. Informatieborden langs de weg wijzen op sporen uit de turfhistorie. Buiten het dorp fiets je over kaarsrechte paden en is goed voor te stellen hoe ‘woest en ledig’ het hier ooit geweest moet zijn. Na het afgraven van het veen bleef natte grond van slechte kwaliteit over. Daarop werd meestal bos aangeplant. Pas in de 20ste eeuw was het mogelijk om met kunstmest de grond geschikt te maken voor de akkers die je nu ziet.

Bij de bossen vlak voor Zuidwolde ben je terug op de zandrug. Verscholen in het bos ligt nog een restant van een heideveld, dat ooit veel groter was. De officiële naam van dit gebied is Steenberger Oosterveld, maar de plaatselijke bevolking spreekt – met enig gevoel voor overdrijving – meestal over Klein Zwitserland.

Overal winkels en terrasjes: Zuidwolde is duidelijk niet meer het bescheiden boerendorp van voorheen. Aan de noordrand van de dorp kun je bij de buurtschap Steenbergen nog zien hoe het ooit geweest moet zijn. Aanvankelijk stond hier een tiental boerderijen. Daarvan is een handvol overgebleven – de oudste dateert van 1756. Een eeuw eerder waren de boeren begonnen met het ontginnen van het veenmoeras aan de westkant van de zandrug. Het veen aan de oostkant verkochten ze aan Roelof van Echten, een Drentse edelman die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste ontginners van het veengebied.