IJzeroer en oorlog in het Bergherbos kinderroute

Nederland, Gelderland, Beek (Gem Montferland)

75
10
85
76
75

Het bos tussen Beek, ’s-Heerenberg en Zeddam heeft een spannende geschiedenis. Het ligt immers dicht bij de grens met Duitsland. Vroeger hoorde een stukje van dit bos zelfs bij Duitsland, maar na de Tweede Wereldoorlog kreeg Nederland het in bezit. In het bos zijn nog allerlei sporen van de twee wereldoorlogen terug te vinden, maar ook van langer geleden. Wat dacht je van een middeleeuwse kasteelberg? Of van vroegmiddeleeuwse ijzerkuilen? En tot slot ligt bij het Peeske nog een speelbos – als je tenminste nog puf overhebt.

Fietsen en wandelen langs landschapselementen
Deze route is onderdeel van een serie fiets- en wandelroutes langs verschillende landschapselementen. Het Nederlandse landschap is een echt cultuurlandschap. Door de eeuwen heen veranderde de mens de natuur, bedoeld en onbedoeld. Die ingrepen in het landschap vertellen veel over het verleden. Op deze website kun je meer lezen over deze leestekens en over waar je ze kunt zien.

NB: dit is een fietsroute gecombineerd met enkele korte wandelingen naar bezienswaardigheden. Je kunt zelf met je kind bepalen of het genoeg energie heeft om alles te bekijken. Sla in elk geval de eerste wandeling niet over, daar zijn interessante restanten uit WOI en WOII te zien!

• Start bij TOP ’t Peeske. Ga vanaf de parkeerplaats richting camping en fiets richting knooppunt 10. Net nadat je Duitsland bent ingereden, ligt links een tankstation (Star). Steek voorzichtig de drukke weg over en ga de parkeerplaats op. Laat links achteraan in de hoek de fiets staan en ga lopend verder.

Wandelen (rondje van ca. 2 km)
Ga bij het gele bord ‘Bergherbos’ het pad in. Eerste bospad ra. Links en rechts zie je oude loopgraven. Ga la, volg het bospad met de loopgraaf aan je rechterhand. De gegraven geul is niet recht; weet jij waarom hij zo kronkelt?

Ga bij het infobord rechts het trapje af. Je loopt nu door een reconstructie van een Duitse loopgraaf uit de Eerste Wereldoorlog. Einde trapje op en ra (rood-witte markering). Weet jij wat er bovenop de roestbruine zuil ligt? En wat dat met de uitgegraven geul te maken had? Er zit ook een ring aan, waar zou dat voor zijn?

Je loopt het stijgende het pad op. Ca 50 m voor het hoogste punt lopen rechts en links van het pad diepe geulen tussen de bomen. Het zijn de overblijfselen van een tankgracht uit WOII (pas rechts wel op voor de bramenstruiken).

Loop na de top rechts van het pad de heuvel op. Het diepe gat met de bemoste brokken beton is een opgeblazen oude bunker.

Ga op de kruising even rechtsaf. Na 30 m staat rechts een knoestige, meerstammige beukenboom. De brede kuil erachter is een bomkrater. Loop weer terug, ga op de kruising rechtsaf en einde pad la langs glooiend weiland. Aanhet  einde in de bocht zie je links een bordje (B1b, Natuurmonumenten). Hier staat grenspaal 696 en in het struweel nog een kleinere. Ga la langs de paal het smallere pad op. Je loopt nu op de grens: rechts ligt D, links NL. Blijf rd lopen, langs grenspaal 697 en verder naar het tankstation.

• Steek weer over naar het fietspad en rijd verder Duitsland in (let op, de Duitse knooppuntenborden zien er anders uit; ze zijn rood en hangen als losse bordjes onder fietsborden). Fiets van knooppunt 10 naar 85, en verder richting 76. Let na het kruisen van de Kastanjelaan goed op!
Stap bij het tweede bankje af en ga rechtsaf het stijgende bospad in (fiets laten staan). Na ca. 250 m kom je vanzelf bij de imposante motte.

• Loop weer terug en fiets verder naar 76.
Hier kun je even rechtsaf fietsen en bij P66648/001 linksaf de weg oversteken en rechtdoor de Bovendorpsestraat in voor de torenmolen van Zeddam en de rosmolen (ertegenover, alleen op zondag geopend).

• Ga terug naar 76 en fiets vervolgens verder richting knooppunt 75. Zodra je na de grasvelden bij de bosrand aankomt, parkeer je je fiets. Loop ra het bos in door klaphekje, Bergherbos.

Wandelen (rondje van ca. 2 km)
Volg het bospad rd. Na 500 m zie je zowel links als rechts van het pad een opvallende kuil met ophoging ernaast. Dit zijn ijzerkuilen. 100 m verderop ligt er rechts weer eentje en nog eens 100 m verderop weer! Deze ligt wat verder van het pad af (rechts) maar is ook wat groter. Er ligt een boomstam dwars overheen. Na 30 meter ligt er rechts nog een langs dit bospad. En net voor de kruising ligt er links nog een. Kruising met Pieterpad (R61) ra. Volgende pad ra (hier ligt weer een ijzerkuil) en splitsing rechts aanhouden. Einde la.

• Loop weer terug en fiets via knooppunt 75 en richting 10 terug naar ’t Peeske.

De Eerste Wereldoorlog duurde van 1914 tot 1918. Nederland was toen neutraal, het vocht niet mee. Duitsland wist niet zeker of dat zo zou blijven. Voor de zekerheid legden zij in 1917 een stelsel van loopgraven aan op de grens. Om, wanneer nodig, hun grondgebied en de stad Elten te kunnen verdedigen. De soldaten die hiernaartoe werden gestuurd waren geluksvogels: het bleef rustig aan de grens en er vielen geen slachtoffers. Een beetje saai was het alleen wel. Dag in, dag uit wachten op een vijand die niet komt …
Loopgraven liepen altijd in een zigzagpatroon. Dat was veiliger. Als er een vijandelijke granaat in de loopgraaf terecht zou komen, zorgde dat ervoor dat de kracht van de explosie niet verder kon bij de bocht. En een vijandelijke soldaat in de loopgraaf zou niet gemakkelijk door een lange rechte gang alle soldaten kunnen neerschieten.

In de jaren zestig van de vorige eeuw werden de grenzen tussen Duitsland en Nederland veranderd. Daardoor werd dit stukje land met de oude loopgraven ineens Nederlands. Om dit overblijfsel uit de geschiedenis beter te laten zien, werd een stukje opgeknapt. Je kunt er nu weer doorheen lopen en zelf beleven hoe het vroeger was.
Een loopgraaf moest diep genoeg zijn, zodat de soldaten er konden lopen zonder gezien te worden. Om te zorgen dat de manschappen bij regen niet uitgleden of wegzakten in de modder werd de bodem met hout bekleed. De kant die naar de vijand uitkeek, heet ‘borstwering’. Aan die kant zitten ingebouwde bankjes, het ‘vuurbanket’. Die waren niet om op te zitten, maar om op te staan. Zo konden de soldaten beter hun geweer richten om over de rand van de loopgraaf op de vijand te schieten.

Ook in de Tweede Wereldoorlog is hier gevochten. In die periode werden veel tanks gebruikt. Het was een nieuw en sterk wapen. Om ze tegen te houden werden diepe en brede geulen gegraven met steile kanten. Die waren voor de tanks moeilijk over te steken, waardoor ze niet verder konden. Soms zat er ook nog water in de gracht, maar dit was niet altijd zo.

In de Eerste Wereldoorlog werden hier in het bos niet alleen loopgraven, maar ook betonnen bunkers gebouwd voor de verdediging van Duitsland. Nadat de oorlog was afgelopen werden de meeste daarvan in 1921 door de Fransen – de overwinnaars – opgeblazen. Hier zie je de brokstukken van zo’n bunker liggen in de kuil die is ontstaan door de explosie.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd hier hevig gevochten. De Engelsen en Amerikanen wilden de Rijn oversteken en een belangrijk Duits industriegebied – het Ruhrgebied – veroveren. Bij de gevechten werden er bommen op de Duitse verdediging gegooid. Die bommen lieten een grote ronde kuil achter, zoals je hier kunt zien.

Op deze plek, bij de houten slagboom, staan twee oude grenspalen uit 1816. De rechter, kleinere paal heeft nummer 695 en de linker is nummer 696. Ze staan aan een oude handelsweg, de Boterweg. Wat zou er vroeger veel over deze weg de grens over zijn gesmokkeld?

Op deze grote heuvel stond vroeger een houten kasteel met eromheen een hek van hoge palen. In de vroege middeleeuwen werden vaak van dit soort kasteelheuvels gemaakt. Dat was veilig, want vanaf een hoogte kon je de vijand al van verre zien aankomen. Bovendien moesten aanvallers dan eerst de heuvel opklimmen voordat ze bij het kasteel waren, niet gemakkelijk! Deze motte, zoals zo’n kasteelheuvel wordt genoemd, is wel echt een grote. Bovenop hebben zeker drie gebouwen gestaan. Wie er vroeger gewoond hebben weten we niet zeker, maar In 1427 werd de motte het bezit van het adellijke Huis Bergh. Zij bouwden er eeuwen later een mooi jachthuis op. Tegenwoordig is er een restaurant met een terras, waarvandaan je zelf kunt zien hoe hoog de motte is.

De Grafelijke Korenmolen in Zeddam is een bijzondere: het is een torenmolen, een stevige ronde stenen molen met dikke muren en erg oude vloerplanken. Het is de oudste stenen windmolen van ons land. Hij is waarschijnlijk al vóór 1441 gebouwd: de boom die is gebruikt voor het hout van de molenkap, is namelijk een jaar daarvoor omgezaagd. De molen was eigendom van de edelen van Kasteel Huis Bergh en werd gebruikt om meel te malen.

Deze molen werd in 1546 gebouwd in opdracht van de graven van Huis Bergh. De molen werd gebruikt als er te weinig wind was om de wieken van de torenmolen te laten draaien. ‘Ros’ is een oud woord voor paard. Deze molen gebruikte dus geen wind, maar paardenkracht. Als er geen wind was, maar wel moest worden gemalen, vroeg de molenaar een boer of hij zijn paard kon lenen om rondjes te lopen in de molen. De rosmolen is in de zomer elke zaterdag en zondag geopend.

In de vroege middeleeuwen werden hier veel kuilen gegraven. Men was op zoek naar ‘klapperstenen’, want daarin zat ijzererts. Die stenen werden zo genoemd, omdat ze een rammelend geluid maakten als je ze schudde. Dit komt omdat de stenen uit verschillende lagen bestond, vaak een schil met een kern, die van elkaar loszaten. De gevonden klapperstenen werden dan in een speciale oven gebrand met houtskool. Daarvoor was veel brandhout nodig en daarvan was hier genoeg te vinden. Die vroege ovens werden niet heet genoeg om het ijzer te laten smelten. Wat wel smolt was het restmateriaal, dat ‘slak’ wordt genoemd. Die vloeibare slak werd afgetapt, waarna het ruwe ijzer in de oven achterbleef: de ‘wolf’. Hiermee kon men gereedschappen en zwaarden smeden.
In dit deel van het bos liggen heel veel van deze ijzerkuilen. Als je het eenmaal weet, zie je ze overal. Kun jij ze al herkennen? Maar: vergis je niet met de waterbergplekken langs het wandelpad! Die zijn door de boswachter gemaakt om het regenwater in op te vangen. Ze zijn niet zo mooi rond of golvend als de ijzerkuilen en ze hebben geen heuvel ernaast.

’t Peeske was vroeger een watermolen. Die was in 1885 door een bakker aan een bron gebouwd om zelf graan te kunnen malen. Er was alleen één probleem: er was te weinig stromend water om de molen goed te laten draaien. Daarna werd ’t Peeske een wasserij en vervolgens een badhuis, maar het bronwater in de oude molenvijver was daarvoor weer te koud. Nu zorgt het water voor een mooi plekje om op het terras te zitten en te genieten van een welverdiend drankje.