Engbertsdijksvenenroute

Nederland, Overijssel, Kloosterhaar

01
02
04
09
10
06
07
03
33
36
32
28
27
68
45
48
49
01

Ten zuiden van de Vecht strekte zich ooit een omvangrijk hoogveen gebied uit, dat grotendeels is afgegraven. De Engbertsdijksvenen bleven gespaard. Het 900 ha grote terrein, dat alleen onder leiding van gidsen betreden mag worden, is een van de grootste aaneengesloten hoogveengebieden van Overijssel.

Natuurgebied Engbertsdijksvenen is strekt zich bij Kloosterhaar en de Duitse grens ongeveer 1000 hectare uit. Het gebied dankt zijn naam aan de boerenfamilie Engberts. De vervening in dit gebied was tot in de 19e eeuw een kleinschalig gebeuren – het veen werd gebruikt voor de kachel – maar vanaf het begin van de 20e eeuw werd het vervenen grootschaliger aangepakt. Er waren kanalen aangelegd en via de kleinere wateren kon de turf in grote hoeveelheden worden afgevoerd.Tot ongeveer 1950 is hier op grootschalige wijze veen gewonnen. Tot in de jaren zeventig werd het veen nog gebruikt voor de productie van turfstrooisel. Daarna kwam de economische exploitatie stil te liggen. De sporen van de eeuwenlange vervening zijn terug te vinden in de vorm van kleine en grotere, met water gevulde veenputten. Een kleine kern veen van ongeveer 17 ha is niet verveend en heeft nog de oorspronkelijke dikte van circa 4 tot 7 m. In Nederland is nog maar 25 ha ‘levend’ hoogveen waarvan 17 ha in de Engbertsdijksvenen! In dit gebied komen bijzondere beestjes voor zoals de kleine watersalamander. Het gebied maakt deel uit van het Europees netwerk van beschermde natuurgebieden: Natura 2000.

Het brinkdorp Bruinehaar werd in 1720 gesticht op een heuvel (‘haar’) in het veen. Aanvankelijk bestond het uit niet meer dan vijf boerderijen. Ten noorden van Bruinehaar is een groot heidecomplex in stand gebleven. Vroeger werden hier de schapen geweid van het klooster in Sibculo.

Een duik in de geschiedenis van het landschap neemt u met een bezoek aan het Veenmuseum (Paterswal 11, 7671 TB Vriezenveen, ma t/m do geopend van 10-16 uur, zo van 13-16.30 uur). Vrijwilligers laten zien hoe er geleefd, gewoond en gewerkt werd tussen 1880 en 1950, toen Noord-Twente op de schop ging om van het gestoken veen turf te maken door het te drogen.

In het onherbergzame gebied ten zuiden van Kloosterhaar, in Sibculo, vestigden zich begin 15e eeuw cisterciënzer monniken die in afzondering van de wereld wilden leven. Op een zandrug midden in het hoogveen bouwden zij een klooster. De monniken van Sibculo hebben zich op kleine schaal beziggehouden met landontginning. Het grote werk begon pas omstreeks 1860, nadat het Overijsselsch Kanaal was gegraven. De jonge kolonistendorpen Vroomshoop, Westerhaar en Vriezenveensewijk zijn pas in die tijd ontstaan.

In de omgeving van Beerzerveld en Mariënberg nadert u het rivierduinenlandschap van de Overijsselsche Vecht. Bij Mariënberg zijn sporen van menselijke bewoning gevonden uit de middensteentijd (8000-3500 v.Chr.), onder meer vuurstenen en zes zeer uitzonderlijke grafkuilen.