Weblogs<

Bekijk ook de iKampioen ons digitale magazine

Museumallergie

Ik was pas zestien toen ik met twaalf andere broekies op de touringcar richting Parijs werd gezet.

We gingen op 'studiereis' maar iets deed me vermoeden dat de schoolleiding daar iets heel anders onder verstond dan de extreem opgewonden buspassagiers. Ons zootje ongeregeld was natuurlijk vooral geïnteresseerd in rosse buurten, de Moulin Rouge en het achterovergooien van belabberde budgetwijn in Quartier Latin. Een museum zei ons niets, of het moest het Sexmuseum zijn.

De volgende dag stonden we oog in oog met Miss Mona Lisa in het Louvre. Eindeloos sleepten we achter de Engelstalige gids aan, die voor heel veel geld was ingehuurd door meneer Paardekooper van wiskunde (dat wisten wij, want hij zei 't wel een keer of tien). We sloften gang in gang uit en we begonnen ons serieus zorgen te maken of we wel voor sluitingstijd dit Megagebouw konden verlaten. Het was fecking afgrijselijk tot de tiende graad, om in de terminologie van meneer Paardekooper te blijven.

Sindsdien krijg ik rode pukkels van alleen de aanblik van een museumgebouw. Betreden is al helemaal niet in frage, uit angst 526 gangen te moeten doorwandelen om uiteindelijk - godzijdank - het bordje Exit te zien. Maar afgezien daarvan heb ik het na tien schilderijen wel gezien. Daarna begint alles te lijken op een koektrommelplaatje. Maar dan zonder de smaak van een verse weespermop.

Inge Mink