Banden

Zo controleert u uw bandenspanning

  • Controleer bij voorkeur als de banden koud zijn. Uw banden zijn ‘koud’ wanneer u niet meer dan 5 kilometer heeft gereden.

  • De juiste bandenspanning voor uw banden staat in het instructieboekje van uw auto, op een sticker in het portier of de tankklep.

  • Bij de meeste tankstations kunt u uw bandenspanning controleren en in één moeite door de banden oppompen. Dit is niet altijd gratis, neem dus een muntje van 50 cent mee.

  • Stel de meter van de pomp in op de juiste spanning.

  • Schroef het dopje van het ventiel, sluit het mondstuk van de pomp erop aan en houd deze net zolang aangedrukt totdat de gewenste bandenspanning is bereikt. Meestal hoort u dan een signaal.(let er op dat u het mondstuk recht houdt op het moment dat u dit erop zet, zeker stalen/lichtmetalen ventielen zijn gevoelig voor breken)

  • Herhaal dit voor de andere banden.

  • LET OP: De fabrikant kan een afwijkende spanning opgeven voor rijden met volle bepakking; houd daar rekening mee als u bijvoorbeeld op vakantie gaat.

  • Vergeet niet om ook regelmatig uw reservewiel te controleren.

  • U kunt ook thuis uw bandenspanning meten met een eenvoudige drukmeter die u op het ventiel aansluit.

  • Voer de controle van uw bandenspanning iedere maand uit.

Zo controleert u uw banden op slijtage

  • Aan het profiel van uw banden kunt u zien in hoeverre de banden afgesleten zijn.

  • De profieldiepte kunt u zelf meten met een eenvoudig schuifmaatje dat in de winkel te koop is.

  • Wettelijk en ook voor de APK-keuring is 1,6 mm de minimale profieldiepte, de ANWB adviseert minimaal 2 mm.

  • Voor winterbanden – of elke band die in winterse omstandigheden gebruikt wordt – raadt de ANWB vervanging aan als de profieldiepte minder dan 4 mm bedraagt.

  • Vervang banden die ouder zijn dan zes jaar, ook al zit er nog voldoende profiel op.

Bekijk de instructievideo voor het controleren van uw banden op spanning en slijtage

Zo vervangt u een wiel

  • Zoek een veilige plek om het wiel te wisselen.

  • Draai de wielmoeren een paar slagen los.

  • Plaats de krik bij het krikpunt dat het dichtst bij het te vervangen wiel zit. In het instructieboekje staat waar u de krikpunten van uw auto vindt.

  • Zorg dat de auto niet kan wegrollen; kies een egale ondergrond, trek de handrem aan en zet de auto in een versnelling of in de P-stand (wanneer u een automaat heeft).

  • Krik de auto zover op dat u voldoende ruimte heeft om het wiel te kunnen verwijderen.

  • Het monteren van het reservewiel gaat in omgekeerde volgorde. Draai de wielmoeren alvast met de hand aan. Het kruislings vastzetten doet u zodra de auto weer op vier wielen staat.

  • Is de auto voorzien van een of meer wielmoeren met diefstalbeveiliging? Zorg dan dat u het speciale bijbehorende sleuteltje altijd bij u heeft.

Tip van de Wegenwacht

Als het wiel niet los wil, ondanks dat alle bouten of moeren los zijn – dit komt vooral voor bij lichtmetalen wielen – probeer dan het volgende: monteer een aantal moeren of bouten en draai ze vervolgens weer een slag los. Laat de krik weer zakken zodat het wagengewicht op het wiel rust. Stuur een aantal keer heen en weer en/of  rijdt een klein stukje vooruit om vervolgens te remmen. Krik de wagen weer op en controleer of het wiel is losgekomen.

Bekijk de instructievideo voor het vervangen van een lekke band

Hoe zit het met thuiskomers en reparatiesets?

  • Een thuiskomer is een klein en smal reservewiel dat alleen is bedoeld om thuis (of bij de garage) te komen. Rijd hiermee niet harder dan 80 km/uur.

  • Reparatiekits hebben een gebruiksaanwijzing; volg deze. Ook dit hulpmiddel is er alleen om de garage te bereiken.

Waarom u regelmatig uw banden moet controleren

Uit iedere band ontsnapt continu een beetje lucht. Daarom is het belangrijk om iedere maand de bandenspanning te controleren. Een te lage bandenspanning is slecht voor het verbruik, maar ook voor de wegligging. Bovendien wordt een zachte band snel heet, waardoor u meer kans heeft op een klapband. Een te hoge bandenspanning is ook niet goed: dit zorgt ook voor een slechter contact met de weg en een hogere bandenslijtage.

Elke band slijt en verliest dus profieldiepte. Minder profiel betekent een slechtere afvoer van water. Als banden teveel zijn afgesleten, moeten ze vervangen worden.

Wegenwacht

De Wegenwacht kent iedere auto van binnen en van buiten. Dus ook die van u. Bij pech zorgt de Wegenwacht er in 9 van de 10 gevallen voor dat u weer snel in uw eigen auto verder kunt rijden. Heeft u pech? Bel (088) 269 28 88.

Heeft u nog geen service van de Wegenwacht?
Meer over de Wegenwacht en lid worden